menu

UHasselt


Nieuws

Universiteit Hasselt - Knowledge in action

< OVERZICHT

Academisch jaar geopend    23 sep 2011

23 sep 2011

CONTACTPERSOON

De heer Koen SANTERMANS

32-11-268009

koen.santermans@uhasselt.be


De universiteit in de 21e eeuw

Toespraak rector Luc De Schepper opening academiejaar 2011-2012




Dames en Heren,

Vandaag zou ik willen spreken over de rol van de universiteit in de 21e eeuw. Maar ook over hoe we ons als UHasselt positioneren als universiteit van de 21e eeuw. Een korte terugblik op de evolutie van de universiteit in het recente verleden is daarbij een interessant uitgangspunt.   

Toen ikzelf studeerde aan de universiteit, in de jaren zeventig, was de universiteit vooral een onderwijsinstelling, gericht op de vorming van jongeren op het finale, het hoogste onderwijsniveau. De primaire rol van de universiteit was de vorming van de intellectuele elite van de maatschappij. De professoren van wie ik les kreeg – of toch een deel ervan, zeker niet allemaal - deden daarnaast aan onderzoek, maar dan uitsluitend fundamenteel onderzoek. Dat was nog altijd zo in de vroege jaren tachtig, toen ik aan mijn doctoraat werkte.

Het doctoraat was in die jaren overigens in de meeste disciplines uitsluitend toegankelijk voor bollebozen die met de hoogste graden hun licentiediploma behaalden, en dan nog alleen indien ze een academische carrière voor ogen hadden. Indien men een carrière buiten de universiteit beoogde bood een doctoraat weinig of geen meerwaarde. Het onderzoek werd toen reeds vooral door doctoraatsstudenten uitgevoerd – uiteraard onder leiding van professoren – en was zeer fundamenteel van aard.

De behandeling van onderzoeksvragen uit de reële wereld – het bedrijfsleven bijvoorbeeld – was niet alleen ongebruikelijk, het was eigenlijk not-done. Ik herinner mij nog een gesprek – het moet 1981 of 1982 geweest zijn - tussen mijn toenmalige LUC-promotor, prof. Lambert Stals, en een van zijn Gentse collega’s. Prof. Stals  bracht daarin zijn plannen om ook met het bedrijfsleven onderzoek op te zetten ter sprake. Het idee werd door de Gentse collega koudweg afgedaan als wetenschappelijke prostitutie.

Het moet ook gezegd dat de bedrijven in die tijd weinig heil zagen in samenwerking met de universiteit: industrieel toepasbaar onderzoek werd tot in de jaren tachtig – dikwijls in de grootste beslotenheid - uitgevoerd in de eigen researchlabo’s van de bedrijven, afgeschermd van de buitenwereld. De scheiding tussen fundamenteel onderzoek aan de universiteit, en toegepast onderzoek in de industrie, was scherp en duidelijk.

In de jaren tachtig en negentig nam het belang van het onderzoek aan de Vlaamse universiteiten  gestaag toe. Waar onderzoek tot in de jaren zeventig een min of meer facultatieve bezigheid voor professoren was, eiste de overheid geleidelijk meer en meer wetenschappelijke output in de decennia die daarop volgden. In Vlaanderen  was het de boeiende tijd van de DIRV-actie, de Derde Industriële Revolutie Vlaanderen, een initiatief van minister-president Gaston Geens, die Vlaanderen via onderzoek en innovatie in veelbelovende sectoren op de kaart wou zetten. In de domeinen van de micro-electronica, informatica en de biotechnologie gingen de tot dan toe gesloten deuren tussen academisch onderzoek en de commerciële toepassingen resoluut open. Eerst natuurlijk in de Verenigde Staten, denk maar aan alle evoluties in Silicon Valley, maar snel daarna ook in Vlaanderen. Mooie voorbeelden in Vlaanderen zijn de oprichting van IMEC in 1984 en de opstart van biotech-bedrijven zoals Plant Genetic Systems en Innogenetics, midden de jaren tachtig.

In de jaren negentig werden beoordelingen van professoren aan de Vlaamse universiteiten verplicht, en het belang van onderzoeksoutput in hun beoordeling werd van jaar tot jaar belangrijker. Het Vlaamse beleid resulteerde in een ware explosie van onderzoek aan de universiteiten in de jaren negentig én in een spectaculaire groei van het aantal doctoraatsstudenten. Deze toenemende onderzoeksactiviteit leidde eveneens tot een sterke verbreding van het academisch onderzoek, waarbij de grens tussen fundamenteel en toegepast onderzoek – een grens die voor iedereen duidelijk was tot in de jaren tachtig – meer en meer vervaagde. De explosie aan onderzoek in de jaren negentig leidde tevens tot interdisciplinair onderzoek aan de universiteiten, waarbij onderzoekers gingen samenwerken over de grenzen van disciplines en faculteiten heen.

In de bedrijven veranderde de kijk op onderzoek in de loop van de jaren negentig drastisch. De bedrijven stootten steeds meer op de grenzen van het gesloten innovatiemodel, waarbij het onderzoek exclusief in de eigen ’research centers werd uitgevoerd, afgeschermd van de buitenwereld. Bedrijven exploreerden meer en meer vormen van onderzoekssamenwerking met andere partners: met andere bedrijven, maar ook met universiteiten. Gezamenlijk onderzoek tussen bedrijven onderling, maar evenzeer tussen bedrijven en universiteiten, kende een spectaculaire groei in de jaren negentig.

Open innovatie deed zijn intrede. Het begrip kende een wereldwijde doorbraak in 2003 met het boek van Harvard professor Henry Chesborough ‘Open innovation: the new imperative for creating and profitting of technology’. Maar als UHasselt rector verwijs ik natuurlijk liever naar het boek dat Chesborough uitgaf samen met UHasselt professor Wim Vanhaverbeke en Joel West in 2006: “Open innovation: a new paradigm for understanding industrial innovation”.

De simultane explosie van onderzoek aan de universiteit, en de opkomst van de open innovatie in het bedrijfsleven brengt de relatie tussen de universiteit en bedrijfsleven in een totaal nieuw perspectief bij het begin van de 21e eeuw. Bedrijfswereld en universiteit worden partners in innovatie. De universiteit van de 21e eeuw heeft er een opdracht bij, en wordt nu geconfronteerd met drie kerntaken: onderwijs op topniveau, grensverleggend eigen onderzoek én ondersteuning van innovatie in de bedrijfswereld. 

Een kleine zijsprong over de financiering van de universiteiten maakt die evolutie duidelijk. De overheidsfinanciering van de universiteit evolueerde in nauwelijks tien jaar tijd van zuiver gebaseerd op studentenaantallen, naar financiering op basis van een mix van parameters gebaseerd op studentenaantallen, onderzoeksoutput en de bijdrage aan innovatie. Tegelijkertijd stimuleerde de Vlaamse overheid de onderzoekssamenwerking tussen bedrijven en universiteiten door aan gezamenlijke onderzoeks- en innovatieprojecten ook subsidies toe te kennen. De inkomsten van contractonderzoek voor bedrijven worden voor de universiteit ook van jaar tot jaar belangrijker. Ik overdrijf niet als ik stel dat de UHasselt begroting in mekaar zou klappen zonder de inkomsten uit het contractonderzoek met bedrijven.

Daarnaast moet de universiteit haar rol als ‘denktank’ voor de maatschappij – haar vierde taak die ik in de context van dit betoog verder even buiten beschouwing laat - natuurlijk blijven vervullen.

Men kan zich rond deze nieuwe taakstelling van de universiteit van de 21e eeuw veel vragen stellen, zowel naar de duurzaamheid als naar de wenselijkheid van het model.

Zal deze nieuwe rol van de universiteit stand houden in de toekomst? Ik denk het wel. Een aantal factoren die mee aan de basis liggen van de sterk toegenomen samenwerking tussen universiteit en bedrijfsleven zullen immers blijven spelen in de komende jaren. Er is vooreerst het verdwenen onderscheid tussen fundamenteel en toegepast onderzoek, waardoor het doctoraat – waarop de universiteit het monopolie heeft, op zich een evenmin onbelangrijke factor - een universeel onderzoeksinstrument geworden is. Het doctoraat is nu bruikbaar voor grensverleggend eigen onderzoek van de universiteit en voor op innovatie gericht onderzoek op vraag van het bedrijf. Hierdoor komt een groot potentieel aan jong talent (de doctoraatstudenten) beschikbaar voor op innovatiegericht onderzoek. De explosie van het aantal doctoraten, waarvan vele gericht op innovatiegericht onderzoek, betekent ook dat in toenemende mate doctores zullen doorstromen naar de bedrijfswereld, en daar allicht de samenwerking met de universiteit verder zullen versterken. Daarnaast is er het sterk toegenomen belang van interdisciplinair onderzoek bij innovatie – trouwens eveneens een gevolg van het open innovatieparadigma, waardoor de universiteit, met haar verschillende faculteiten en disciplines, in principe de ideale broedplaats is om dit type onderzoek aan te pakken. En er zijn een aantal sterke economische argumenten die de samenwerking ondersteunen, zoals de risicospreiding (de financiering van een doctoraatsonderzoek is een beperkt engagement in de tijd; indien het tot niets bruikbaars leidt is de verliespost beperkt), de beperking van de personeels- en investeringskost voor het bedrijf (personeel – doctoraatsstudenten en zelfs post-docs - aan de universiteit financieren is goedkoper dan eigen onderzoekers aanwerven; onderzoeksapparatuur is tegen beperkte kost beschikbaar aan de universiteit). Een belangrijke struikelsteen, met name de verdeling van de intellectuele eigendomsrechten (IP), is bovendien grotendeels verdwenen door de ervaring die werd opgebouwd met IP-delingsmodellen. Tenslotte zal ook de integratie van de academiserende opleidingen in de universiteiten verder het potentieel voor samenwerking tussen bedrijfsleven en universiteit vergroten, o.a. door het doctoraat in de industriële ingenieurswetenschappen eveneens mogelijk te maken. De grootste bedreiging voor de nieuwe rol is in feite de te beperkte basisfinanciering van de universiteit: het aantal professoren houdt geen gelijke tred met het toegenomen takenpakket (vooral dan de innovatiegerichte activiteiten), en de basistoelage houdt ook onvoldoende rekening met de overheadkosten van de innovatiegerichte activiteiten.

Houdt deze nieuwe rol van de universiteit ook gevaren in? Zeker. Er is al dikwijls op gewezen dat de samenwerking tussen bedrijfswereld en universiteit de onafhankelijkheid van de universiteit zou aantasten. Dit is zeker waar in zoverre de samenwerking met de bedrijfswereld het eigen grens-verleggend onderzoek van de universiteit in de verdrukking brengt. In principe betreft het wel verschillende opdrachtgevers en financieringsstromen. Er is dus pas een reëel gevaar indien het op innovatiegerichte onderzoek het eigen grensverleggende onderzoek gaat overvleugelen in omvang, of, nog een stap verder, indien de universiteit het eigen grensverleggend onderzoek te sterk gaat definiëren in functie van de vragen die voortspruiten uit het op innovatiegerichte onderzoek. Beide gevaren zijn reëel en een punt van zorg. De financier van het eigen grensverleggend onderzoek – de overheid – en de universiteit zelf, moeten er op toezien dat enerzijds de omvang van de middelen voor eigen grensverleggend onderzoek voldoende hoog zijn vergeleken bij inkomsten gegenereerd uit innovatiegericht onderzoek, en anderzijds moeten zij erover waken dat het wel degelijk over eigen grensverleggend onderzoek, op initiatief van de vorser, blijft gaan. Deze laatste bezorgdheid is groot: dat is ook de reden waarom de universiteiten het recent geopperde idee om de FWO middelen op een of andere manier te koppelen aan de innovatiespeerpunten van de Vlaamse Regering hebben afgewezen.

Hoe dan ook is de universiteit van de 21e  eeuw, met de viervoudige taakstelling, een feit.

Hoe gaat de UHasselt hiermee om?

De universiteit van de 21e eeuw zit eigenlijk in het DNA van de UHasselt. Onze universiteit ging als één van de eersten de samenwerking met de industrie aan, ondermeer uit noodzaak, maar tevens omdat dit in het Limburgs economisch weefsel goed haalbaar was.
De UHasselt was in de jaren tachtig al voorloper in de samenwerking met de bedrijfswereld – de oude rotten zullen zich het Fonds voor Technologisch Onderzoek herinneren - , ook toen daar in andere universiteiten nog smalend over gedaan werd. Als kleinere speler werden wij in de jaren negentig ook min of meer gedwongen te pionieren in de combinatie van fundamenteel en toegepast onderzoek in speerpuntsectoren. Interdisciplinair onderzoek kwam bij ons al vroeg op gang: het Instituut voor Materiaalonderzoek bijvoorbeeld, dat natuurkundigen, scheikundigen en ingenieurs samen brengt, werd al in 1991 opgericht. Voor ons is het dus allemaal niet zó nieuw.

Dit is duidelijk zichtbaar aan de herkomst van onze inkomsten: de UHasselt ontvangt voor 32 M€ toelagen voor haar onderwijsopdracht en voor het verrichten van grensverleggend onderzoek. Daar tegenover staat een portefeuille van bijna 19 M€ aan contractonderzoek in opdracht van bedrijven. De evolutie van het aantal doctoraten aan de UHasselt en de aard van die doctoraten toont bovendien duidelijk aan dat de rol van de universiteit in de 21ste eeuw serieus is gewijzigd. Het aantal lopende doctoraten is gestegen van 125 in het academiejaar 2000-2001 tot maar liefst 344 in het voorbije academiejaar. En terwijl 10 jaar geleden slechts 1 op 3 van de afgelegde doctoraten in samenwerking met – of op vraag van - het bedrijfsleven tot stand kwam, is dat vandaag geëvolueerd naar 1 op 2.

Als een internationaal gerichte universiteit, maar met een sterke regionale verankering, voelt de UHasselt zich goed in de rol als universiteit van de 21e eeuw, als een creatief knooppunt in het innovatieweb. Het is kort door de bocht, maar de UHasselt kan in dit model haar internationale ambities volop waarmaken in de taakstellingen rond onderwijs en grensverleggend onderzoek, en haar regionale verankering maximaal vertalen in de derde taakstelling rond ondersteuning van innovatie en vernieuwing van het economisch weefsel in de regio via oprichting van spin-off bedrijven.

Ik illustreer graag met enkele voorbeelden hoe de UHasselt de derde taakstelling – ondersteuning van innovatie bij bedrijven en bijdragen tot vernieuwing van het economisch weefsel - wil invullen.
Als creatief knooppunt in het innovatieweb richtte de UHasselt enkele jaren terug LifeTechLimburg op, een open innovatieplatform dat alle actoren in de Life Sciences sector in onze provincie bij elkaar brengt. Het succes ervan is bekend. Met het CleanTechplatform werd meer recent een gelijkaardig initiatief voor de bedrijven actief rond Clean Tech genomen.

Als illustratie van de toenemende banden tussen het bedrijfsleven en de UHasselt, ook voor langlopende en strategische innovatieprojecten, geef ik graag nog een relevant voorbeeld. Zeer recent sloten KPMG en onze faculteit Bedrijfseconomie een langlopende samenwerkings-overeenkomst rond onderzoek in het domein van ‘economics and regulation’. KPMG zal hierbij in de komende jaren verschillende doctoraten aan de UHasselt financieren die handelen over ‘regulatory impact analysis’.

Onze spin-off activiteiten nemen eveneens een hoge vlucht. Enkele weken terug hebben we samen met de Limburgse Reconversiemaatschappij (LRM) – een ander creatief knooppunt in het innovatieweb in onze regio - een ARKIV-fonds opgericht met als aandeelhouders PMV, LRM en UHasselt om innovatiegerichte bedrijven in Limburg op te richten. Binnen dit brede fonds komt 7 miljoen euro specifiek ter beschikking voor de oprichting van spin-off bedrijven van de UHasselt, de XIOS hogeschool en de Provinciale hogeschool in de komende jaren. Als blijk van onze ambitie om via nieuwe spin-off bedrijven het economisch weefsel in Limburg te venieuwen, spreekt dit voor zich. Dit is een mijlpaal in ons functioneren. Voor het eerst investeren wij als Universiteit rechtstreeks eigen middelen in een incubatiefonds, om samen met 2 gereputeerde actoren als LRM en PMV, in het spin-off beleid een versnelling hoger te schakelen.

Onze professoren en onderzoekers zijn van cruciaal belang voor de universiteit van de 21ste eeuw. De UHasselt probeert haar professoren en onderzoekers daarom ook zoveel mogelijk te ondersteunen via een modern en specifiek onderzoeksgericht HR-beleid. We zijn dan ook heel trots dat die inzet beloond is door een belangrijke Europese erkenning voor dit beleid. De Universiteit Hasselt heeft immers deze zomer als eerste Vlaamse universiteit het label ‘HR Excellence in Research’ van de Europese Commissie ontvangen. 

Dames en heren,

Laat er geen twijfel over bestaan: de universiteit van de 21e eeuw blijft er in de eerste plaats voor de student. Daarom wil ik besluiten met het antwoord op de vraag wat de universiteit van de 21e eeuw, de universiteit als knooppunt in het innovatieweb, in onze visie voor de student en zijn of haar opleiding betekent. Want misschien vreest  u dat  de opleiding van onze studenten zal lijden onder de andere taken die de universiteit opneemt?

Het antwoord is: helemaal niet, wel integendeel. Studenten zijn geboeid door grensverleggend onderzoek, dat bij voorkeur transdisciplinair is en concrete toepassingen in onze leefwereld en onze economie heeft. In onze opleidingen brengen onze professoren ze er al  vroeg mee in contact - en met de internationale context waarin het zich afspeelt. Uit alle enquêtes blijkt dat studenten trouwens niets liever vragen. Grensverleggend onderzoek is per definitie internationaal, en door onze brede internationale onderzoekscontacten beschikken we over een netwerk van partner-universiteiten waar onze studenten via uitwisselingsprogramma’s een semester in het buitenland kunnen gaan studeren. Ook onze eigen studentenpopulatie wordt door deze uitwisselingen steeds internationaler gekleurd.

De betrokkenheid van de universiteit bij de innovatie in het bedrijfsleven is echter evenzeer een grote meerwaarde voor onze studenten. We leiden studenten op voor een beroepscarrière in de innovatiegedreven kennismaatschappij, waarin ze morgen belangrijke actoren zullen zijn. Die maatschappij wordt gekenmerkt door een razendsnelle evolutie van kennis. Meer dan aan statische kennis, die slechts een beperkte tijd bruikbaar is, hebben studenten behoefte aan competenties die hen toelaten snel nieuwe kennis op te bouwen en te verwerken, en zich aan te passen aan een voortdurend veranderende job inhoud.

Daarom willen we als UHasselt onze studenten de competenties bijbrengen die hiervoor nodig zijn. Onze universiteit is altijd al een voorloper geweest op het vlak van onderwijsvernieuwing. We rapen nu de handschoen van vernieuwing nogmaals op door in al onze bachelor- en mastercurricula het verwerven van “lifelong employability skills” op structurele wijze in te bouwen. 

Deze “lifelong employability skills” zijn op het eerste gezicht misschien vrij evidente competenties zoals communicatie, teamwork, en vlotte omgang met IT-tools en cijfergegevens, maar ook minder voor de hand liggende competenties zoals problem solving skills, creativiteit, self-management en business and stakeholder awareness.  Dergelijke competenties kan je als student moeilijk verwerven vanuit een zitje in een vol – laat staan een overvol - auditorium. Maar met ons onderwijsmodel, gebaseerd op interactief onderwijs in kleinere groepen, bieden wij als UHasselt een ideale biotoop om – met inbreng van deskundigen uit de bedrijfswereld - bij onze studenten deze competenties optimaal te ontplooien. 

Dames en heren, de universiteit als creatief knooppunt in het innovatieweb, die een diploma aflevert dat borg staat voor de academische kennis én de competenties om optimaal te kunnen functioneren in de innovatiegedreven kennismaatschappij: dat is de universiteit Hasselt in de 21e eeuw. De Universiteit Hasselt staat voortaan voor “Knowledge in Action”.

In naam van alle partners van de Limburgse associatie wens ik de studenten en de personeelsleden van de universiteit en hogescholen een boeiend werkjaar toe en verklaar ik het academiejaar 2011-2012 van de Universiteit Hasselt, de transnationale Universiteit Limburg, de Provinciale Hogeschool Limburg en de XIOS Hogeschool Limburg voor geopend.