menu

UHasselt


Nieuws

Universiteit Hasselt - Knowledge in action

< OVERZICHT

Oriëntatie- en toelatingsproeven: spelen met de toekomst van 18-jarigen?    1 sep 2015

Oriëntatie- en toelatingsproeven: spelen met de toekomst van 18-jarigen?
1 sep 2015

De roep om een ‘selectiever’ hoger onderwijs klinkt steeds luider. Te veel studenten in Vlaanderen kiezen voor de universiteit, mislukken in het eerste jaar en blijven daarna maar wat ‘rondhangen’. Voor te veel jongeren is de kloof tussen ‘willen’ en ‘kunnen’ te groot. Velen zien in oriënteringsproeven hét wondermiddel tegen die waterval aan persoonlijke mislukkingen en verspild geld. Maar dat verhaal klopt niet. De cijfers van de Databank Hoger Onderwijs tonen een ander beeld. En zowel de wetenschap als de praktijk wijzen uit dat oriënteringsproeven hoe dan ook onbetrouwbaar zijn.

Minder dramatisch
De Universiteit Hasselt spitte de hele Databank Hoger Onderwijs door en ging de volledige studieloopbaan van 228.000 studenten (2008-09 tot 2012-13) na. Daaruit blijkt dat 80 procent van de studenten die zich na het secundair onderwijs direct inschreven aan de universiteit, vijf jaar later een bachelordiploma behaald heeft – hetzij in de opleiding waarvoor ze zich destijds hadden ingeschreven (bijna 60 procent), hetzij in een andere universitaire of hogeschoolopleiding (iets meer dan 20 procent).

Met die cijfers is ons hoger onderwijs zowat de koploper binnen de OESO als het gaat om efficiëntie en rendement. Zo is de gemiddelde leeftijd waarop Belgische jongeren een universitair bachelordiploma behalen 22 jaar. Tachtig procent van deze groep is jonger dan 24 jaar. Geen enkel OESO-land doet beter! Met andere woorden: de toestand is minder dramatisch dan algemeen wordt aangenomen.

Kijk naar vervolgtraject, niet naar slaagcijfers
Het valt uiteraard niet te ontkennen dat slechts om en bij de 50 procent van de eerstejaarsstudenten aan de universiteit succesvol is. Maar die slaagcijfers in het eerste jaar vernauwen het blikveld. Beter is om te kijken naar het vervolgtraject van de student die in het eerste jaar faalde. Uit ons onderzoek blijkt dat de studenten die ‘redelijk’ scoren in het eerste jaar, zich herpakken en vervolgens – met wat vertraging – tóch het diploma in de gekozen opleiding behalen. En studenten die ‘zeer slecht’ scoren (die in het eerste jaar minder dan 30 procent van de studiepunten sprokkelen), blijken uit eigen beweging al de overstap te maken naar een andere opleiding aan de universiteit of hogeschool – waar ze het dikwijls erg goed doen en ook binnen vijf jaar na hun eerste inschrijving een bachelordiploma weten te behalen.

Oriënteringsproeven zijn onbetrouwbaar
Natuurlijk zou het beter zijn indien we studenten die zeer zwak scoren in het eerste jaar, vooraf via een test hadden kunnen afraden om voor die bewuste opleiding te kiezen. Een oriënteringsproef waarbij de toekomstige student een beeld krijgt van hoe goed of slecht hij het zou doen in de opleiding van zijn keuze. Een test die hem vertelt dat hij misschien beter iets anders kiest.

Helaas: zulke proeven zijn onbetrouwbaar, zo blijkt uit recent gepubliceerd onderzoek van de UHasselt. Het grote probleem is dat geen enkele proef een correlatiecoëfficiënt van meer dan 0,55 haalt (correlatie tussen de resultaten op de toets en prestaties in het eerste jaar, uitgedrukt in een getal tussen -1 en 1). Simpele testtheorie leert ons dat dit bij het afnemen van een oriënteringsproef tot zeer grote fouten leidt.

Een voorbeeld. Stel dat we met de Luci-test van de KU Leuven alleen de vrij sterke studenten zouden willen ‘opsporen’ – studenten die pakweg 80 procent van de studiepunten zouden halen in het eerste jaar. Luci heeft een correlatiecoëfficiënt van 0,37. Dit impliceert dat zo’n 30 procent van de studenten die niet slagen op de test, wél die 80 procent van de studiepunten zou halen. We zouden dus bijna 1 student op 3 het foute advies geven om niet aan de opleiding te beginnen. Omgekeerd zou 45 procent van de studenten die wel slagen voor de Luci-test, niet die 80 procent van de studiepunten halen in het eerste jaar. Dat is bijna 1 student op 2 die onterecht ‘groen licht’ zou krijgen.

De onbetrouwbaarheid van selectieproeven is in de internationale literatuur algemeen bekend. Daarom zijn dan ook steeds meer buitenlandse universiteiten van het systeem van dergelijke proeven afgestapt.

Te weinig mensen met universitair diploma
Oriënteringsproeven hebben bovendien ongewenste neveneffecten. Ook al zijn die proeven onbetrouwbaar, een minder goede testscore zal een aantal jongeren er hoe dan ook van weerhouden om aan een universitaire opleiding te beginnen. Laten we nu net op dit vlak wél een probleem hebben in vergelijking met de andere OESO-landen. In ons land behaalt 25 procent van de 25- tot 34-jarigen een universitair diploma, tegenover een OESO-gemiddelde van 30 procent. We hebben dus te weinig universitairen. Oriënteringsproeven zullen op dat vlak weinig beterschap brengen.

Uit de internationale literatuur blijkt, tot slot, dat selectieproeven aan de poort – of die nu bindend zijn of niet – een grote sociaaleconomische bias vertonen. Kinderen van hoogopgeleide (en in het algemeen beter verdienende) ouders doen het ook beter in dergelijke proeven. En in het geval van niet-bindende proeven zullen het de kinderen van de betere verdieners zijn die het resultaat van de test – overigens in heel wat gevallen terecht! – naast zich neerleggen. Kinderen van laagverdieners zullen bij een minder goed of slecht testresultaat dan weer sneller geneigd zijn om af te zien van een dure universitaire opleiding.

Oriënteringsproeven afwijzen
Conclusie? Wanneer we de volledige studieloopbaan bekijken (en niet enkel het eerste jaar), zien we dat studenten het al bij al zeer goed doen in ons hoger onderwijs. We hebben dus geen oriënteringsproeven nodig. En gelukkig maar, want die zijn hopeloos onbetrouwbaar en hebben ongewenste neveneffecten. Als er zich al een probleem stelt, dan is het wel dat we veel minder universitaire afgestudeerden hebben dan in andere OESO-landen. Met een selectievere toegang tot de unief zal die situatie er alleszins niet beter op worden. We zouden met andere woorden de moed moeten hebben om oriënteringsproeven af te wijzen. Of die testen nu verplicht of niet-verplicht worden, hun verdict bindend of niet-bindend: er is geen heil van te verwachten, wel integendeel.

Een alternatief
Maar hoe zorg je er dan wél voor dat zoveel mogelijk leerlingen op de juiste plek terechtkomen, zonder al te veel omzwervingen? De UHasselt werkt momenteel, in nauwe samenwerking met het secundair onderwijs, aan een oriënteringstraject waarin klassenraden een centrale rol spelen. Het puntengemiddelde dat leerlingen behalen in het secundair onderwijs is een belangrijke voorspeller van studiesucces, maar niet de enige. Via een uitgebreide literatuurstudie werden de relevante studentfactoren die studiesucces in het hoger onderwijs voorspellen – zoals doorzettingsvermogen, aspiratie en geloof in eigen kunnen – in kaart gebracht.

In samenwerking met de scholen werden deze kernfactoren voor studiesucces vertaald naar de schoolpraktijk. De klassenraden hebben ondertussen de factoren bij leerlingen beoordeeld. Deze leerlingen worden nu verder opgevolgd in het hoger onderwijs. We zullen nagaan in welke mate hun studieresultaten in het eerste bachelorjaar effectief samenhangen met onder meer het behaalde puntengemiddelde in het secundair onderwijs en de scores op de kernfactoren. Ook het studiekeuzeadvies van de klassenraad wordt meegenomen.

Dit alternatief biedt alvast het voordeel dat het dichter staat bij de dagelijkse werking van een school en dat het de expertise gebruikt van leerkrachten – die dag in dag uit met de leerlingen werken en hen goed kennen. De beoordeling van de leerling is bovendien geen momentopname, maar het resultaat van een opvolgingsproces over een langere periode. Met andere woorden: een oriënteringstraject dat kan dienen als valabel instrument voor beter studiekeuzeadvies en -begeleiding.