menu

Olyfran-30


Onder de Hoge Bescherming van Hare Majesteit de Koningin

JUNIOR & MAX (2e en 3e graad)

Universiteit Hasselt - Knowledge in action

JUNIOR

De categorie JUNIOR baseert haar leerstofomschrijving op de in voege zijnde programma’s, m.n. wat normaal gezien is tegen het midden van het 4de jaar.

De aangeboden vragenreeks zal bestaan uit 75 vragen: 10% vragen tekstbegrip en 90% taalvragen. Deze 75 vragen moeten opgelost worden in anderhalf uur. Er wordt gewerkt met meerkeuzevragen met vijf afleiders (of antwoordmogelijkheden) en telkens één (en maar één) goede oplossing.

De taalvragen zullen vooral geput worden uit de vragen van de vroegere “La Tour Eiffel-Concours de Français”/"Olyfran-Vlaanderen". De taalvragen zijn voornamelijk communicatief (dialoogjes, repliekjes, zinnetjes uit gesprekjes…) Ze zijn geïnspireerd op de hierna opgesomde “communicatieve vaardigheden”. Onderdelen van de “taalkundige component” worden getoetst in communicatieve zinnetjes.

De vragen vanaf 2006 zijn in drukvorm verkrijgbaar. Neem contact op met het Olyfran-Vlaanderen-secretariaat.

Hierna volgt nog een korte samenvatting van de leerstof.

  • De info begrijpen van eenvoudig gesproken en geschreven teksten.
  • Deelnemen aan eenvoudige gesprekken n.a.v. van voorbeeld-dialogen.
  • Informatie verstrekken omtrent zichzelf, de omgeving en leefwereld.
  • Inlichtingen verstrekken op invulformulieren; mededelingen en eenvoudige teksten aanvullen over bestudeerde onderwerpen en persoonlijke ervaringen.
  • Er zullen ook een vijftal vragen over "cultuur" gesteld worden: eten, drinken, toerisme, administratieve organisatie van Wallonië en Frankrijk, onderwijsorganisatie ...

P.S. Er wordt slechts een zeer beperkt aantal vraagtypes gebruikt omdat de inhoud van de vragen belangrijk is en niet de vraag zelf.

 

Overzichtstabel:

1. De selectieproef met meerkeuzevragen

1.1 De communicatieve vaardigheden

1.1.1 Situaties

1.1.2 Taalfuncties

1.2 Taalkundig component

1.2.1 Morfologie

1.2.2 Syntaxis

2.De mondelinge klassementsproef

 

 

1  DE SELECTIEPROEF MET MEERKEUZEVRAGEN (M.C.)

 

1.1 DE COMMUNICATIEVE VAARDIGHEDEN

1.1.1 Situaties

  • kennismaken
  • afspreken
  • vragen stellen/spreken over:
    - zichzelf, anderen, familie, vrienden, leefgewoonten
    - de woonomgeving
    - de huisdieren
    - school en studie
    - vrije tijd, hobby’s
  • deelnemen aan activiteiten
    - ontspanning
    - op bezoek gaan
    - cultuur
    - huishouden
  • zich redden in nutsituaties
    - de weg vragen en wijzen
    - iets kopen of bestellen
    - hulp vragen en bieden
    - ongemakken signaleren
  • spreken over interessepunten eigen aan hun leefwereld
    - vriendschap
    - relatie jongens-meisjes
    - zakgeld
    - gezondheid en levenswijze
    - het uiterlijk
    - jeugdbeweging
  • inlichtingen verstrekken
    - de weg
    - het uur
    - toeristische bezienswaardigheden
    - evenementen
  • hulp bieden

top

1.1.2 Taalfuncties

WIE?

  • Zich voorstellen. Vragen/zeggen wie iemand is.
  • Vragen naar een persoon; zeggen dat men de persoon gaat halen, dat hij er niet is, wanneer hij er zal zijn …
  • Vragen/zeggen wie iets doet.
  • Zeggen hoe iemand er uitziet.

WAT?

  • Informatie vragen
  • Een voorwerp vragen; het gevraagde geven; zeggen dat men het gaat halen, dat men het niet heeft, dat men niet weet waar het zich bevindt.
  • Een voorwerp beschrijven
  • Een dienst vragen
  • Een mening vragen en geven
  • Instructies vragen en geven
  • Vragen/vertellen wat er gebeurt
  • Vragen naar accommodatie en comfort in een hotel, camping, …
  • Een klacht formuleren

WAAR? WAARHEEN? WAARVANDAAN?

  • Vragen/zeggen waar iemand of iets zich bevindt
  • … waar iets gebeurt
  • … waar men naartoe gaat, waar men vandaan komt.
  • … hoe men zich verplaatst, of het ver is …

WANNEER?

  • Vragen naar het moment waarop (uur en datum), de duur, de frequentie, de volgorde; deze inlichtingen verstrekken
  • Vragen/vertellen wat gebeurd is
  • Vragen/vertellen wat zal gebeuren, iets afspreken

HOEVEEL? HOE GROOT? …

  • Vragen naar hoeveelheid, prijs, afmetingen, afstand, maat, gewicht…; op deze vragen antwoorden

HOE? WAAROM?

  • Vragen naar hoe en waarom; deze vragen beantwoorden

MAAR OOK:

  • Iets bevestigen of ontkennen, aanvaarden of weigeren, al dan niet met iets instemmen, zeggen dat men iets niet kan doen enz.
  • Een mening naar voren brengen.
  • Zekerheid, (on)waarschijnlijkheid, twijfel uitdrukken.
  • Vergelijken, een voorkeur uiten, zeggen dat men van iets (niet) houdt, dat men iets (niet) graag doet of heeft.
  • Gevoelens uiten.
  • Reden, oorzaak, doel, gevolg uitdrukken.
  • Iets beloven.
  • Begroeten, afscheid nemen, danken, zich verontschuldigen, gelukwensen, …
  • Gangbare telefoonconventies toepassen
  • … 

top

1.2 Taalkundig component

1.2.1 Morfologie

  • Article défini, indéfini, contracté, partitif
  • Substantieven en adjectieven
  • De gebruikelijke zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden
  • De telwoorden
  • Het bijwoord
  • Voegwoorden en voorzetsels
  • Het werkwoord 
    1. Morfologie van de tijden van de
      • Indicatif: présent, passé récent, passé composé, imparfait, plus-que-parfait, futur proche, futur simple, futur antérieur(passieve kennis van de passé simple).
      • Subjonctif : présent et passé
      • Conditionnel : présent et passé
      • Impératif
      • Infinitif présent et passé
      • De meest voorkomende regelmatige + onregelmatige ww.
    2. Het referentiekader van tijden en wijzen met het mechanisme van de samengestelde tijden ten opzichte van enkelvoudige tijden, actieve en passieve vormen, het gebruik van hulpwerkwoorden.

top

1.2.2 Syntaxis

  • De zinsanalyse:
    • Proposition principale, proposition subordonnée
    • Sujet, attribut, COD, COI
  • Functioneel gebruik van de modi (meest frequente gevallen voor subjonctif).
  • Functioneel gebruik van de PC, imparfait et p-q-p, passé simple kunnen herkennen en interpreteren.
  • Het onpersoonlijk ww.
  • Overeenkomst binnen zinsdelen en binnen de zin. Bijvoorbeeld:
    • Substantif-adjectif
    • Verbe – sujet
    • Participe passé: adjectif, vervoegd met être, vervoegd met avoir (meest frequente gevallen), verbes pronominaux (meest voorkomende gevallen).
  • Onderscheid adj – adv.
  • Gebruik en plaats van het bijwoord.
  • Eenvoudige syntaxis van de vergelijking, van de bijzinnen van tijd, doel, voorwaarde, gevolg, reden, toegeving, tegenstelling.
  • Gebruik van de gérondif om de gelijktijdigheid uit te drukken van twee handelingen die door dezelfde persoon uitgevoerd worden.
  • Eenvoudige zinsberegeling: plaats van het adjectif, plaats en volgorde van de persoonlijke voornaamwoorden (vooral de combinaties van y en en), plaats van de zinsdelen, mise en relief, négation, interrogation.
  • Indirecte rede/vraag. 

De 100 meerkeuzevragen van JUNIOR vormen een selectie uit vorige edities van de MAX-afdeling en wel uit de makkelijkste klassen die op www.olyfran.org met 1 aangeduid worden. Daarnaast zal nog een aangepaste leestekst voor leesbegrip gekozen worden. De vraagstelling hierover is gelijk aan deze die gebruikt wordt in MAX-TKSO en MAX-BSO.

top

Vraagstellingen JUNIOR

  • Quelle est la bonne réaction?
  • Quelle est la bonne traduction?
  • Quelle traduction N’est PAS correcte? 
  • Quelle est la bonne combinaison?
  • Quelle réaction N'est PAS correcte?
  • Quelle combinaison N’est PAS correcte?

 


2  DE MONDELINGE KLASSEMENTSPROEF

Voor Franstalige deelnemers is er geen mondelinge klassementsproef.  Zij worden definitief geklasseerd op basis van de schriftelijke selectieproef.

Deze proef bestaat uit een gesprek waarbij (bijvoorbeeld) aan de kandidaten gevraagd wordt iets te vertellen over

  • zichzelf
  • hun familie (broers, zussen, ouders, beroep van ouders, …)
  • hun woonplaats (dorp of stad, streek, bezienswaardigheden, …)
  • hun vrijetijdsbesteding (sport, muziek, bioscoop, lectuur, …)
  • hun school (studierichtingen, vakken, schoolreglement, reizen, …)
  • hun toekomstplannen (verdere studies, beroepskeuze, …)
  • hun vakanties (reizen, vakantiejob, …)
  • hun voorbereiding op Olyfran 
     

top