menu

Olyfran-30


Onder de Hoge Bescherming van Hare Majesteit de Koningin

JUNIOR & MAX (2e en 3e graad)

Universiteit Hasselt - Knowledge in action

MAX-TKSO EN MAX-BSO

1 DE SELECTIEPROEF MET MEERKEUZEVRAGEN (M.C.)

 

1.1 Omschrijving van de leerstof

De "Vlaamse Olympi@de van het Frans" (OLVL) peilt voornamelijk naar praktische taalkennis en wil nagaan of de leerlingen in staat zijn tot communicatie te komen in frequente taalsituaties uit de algemene omgangstaal.  De deelnemers worden dus getoetst over gangbare uitdrukkingen in het kader van veel voorkomende taalhandelingen en gespreks- of communicatievormen.

1.1.1 Taalhandelingen

vlot omgaan met getallen, o.m. met betrekking tot afstanden, uur en datum, hoeveelheden, afmetingen, gewichten, afrekenen ...
tijdsaanduidingen vragen en geven; duur, frequentie, volgorde (doen) preciseren:
Het gaat er niet enkel om dat men het juiste uur kan bepalen, maar ook uitdrukkingen hanteert als: vers trois heures, tout à l'heure ...,  juste avant, après ..., au début de l'après-midi, demain matin ....  parfois, jamais ...

De plaats bepalen van personen en dingen:

  • vragen waar ze zich bevinden
  • ze situeren in landen, streken, steden en dorpen, op diverse plaatsen in een bebouwde kom, in gebouwen ...
  • ze situeren ten opzichte van andere personen en dingen: à côté de, à droite de, sur, entre, au milieu de, derrière .... sur la chaise, au porte-manteau, dans le coin ..., à cent mètres, à deux kilomètres ...
  • ze aanwijzen: celui-ci, ...
    ...

Een beknopte, maar bruikbare beschrijving geven van personen, dingen, diensten, omstandigheden

  • algemeen uitzicht, grootte, vorm, materiaal, kenmerken, (o.m. voor personen: fysische kenmerken, kleding, houdingen zoals debout, couché ...) kleur, klasse (simple, luxueux, soigné ...)
  • benoemen van de belangrijkste maaltijdcomponenten (vlees, vis, groenten en fruit,  dranken ... ),   vervoermiddelen, lichaamsdelen ...
    de verschillende winkels benoemen waar men zich kan bevoorraden
  • aankopen doen in een voedingszaak, een apotheek, een postkantoor ..., tanken in een  benzinestation ...
  • de hoeveelheid bepalen (quelques, une paire de, deux litres, cent grammes, un peu plus, moins)
  • de maat aangeven in een kledingzaak, ...
  • de reden en het doel van de handeling aanduiden (parce que, pour ... )
  • zeggen op welke manier de handeling wordt uitgevoerd (goed, slecht, vlug, zonder zorg ...)
  • de omstandigheden bepalen (stil, rustig, veel volk, geen plaats ...)
  • aanduidingen geven i.v.m. de weersomstandigheden (koud, warm, winderig, sneeuw, ijzel, mist ...)
  • manipulaties aanduiden: geven, werpen, duwen, trekken, drukken op een knop, loslaten, uitschakelen ...

Bevestigen, ontkennen, vragen, zijn instemming betuigen, aanvaarden, weigeren, beloven, zekerheid of twijfel uitdrukken, gevoelens uiten, zeggen hoe men zich voelt

Het gebrek aan kennis van de vreemde taal compenseren:

  • zeggen dat men de taal niet goed beheerst
  • zeggen welke taal/talen men beter spreekt
  • signaleren dat men iets niet verstaat
  • vragen hoe iets in de vreemde taal heet, wat een woord betekent
  • vragen trager te spreken, te herhalen, te spellen, anders te formuleren
  • vragen een naam, een woord te schrijven; zeggen dat men dit gaat doen
  • ...

1.1.2 Gespreksvormen

Gespreksvormen worden gekenmerkt door een verloop en door bijbehorende uitdrukkingen die in grote mate stereotiep zijn.  Per definitie kunnen zij dus toegepast worden in uiteenlopende omstandigheden.

  • persoonlijk contact tot stand brengen; onthalen:
  • groeten, verwelkomen, afscheid nemen, gelukwensen, aanvaarden,  weigeren, bedanken ...
  • zich voorstellen, kennismaken, o.m. antwoorden op vragen naar persoonlijke gegevens (naam, adres, leeftijd, geboortedatum, werkgever ... ); zelf naar deze gegevens vragen
  • informeren naar wat men verlangt, met wie men wenst te spreken; vragen of men een afspraak heeft; zelf vragen om met iemand te spreken
  • zeggen dat men zich aanstonds met de persoon zal bezighouden;  zeggen dat men iemand gaat roepen; zeggen dat iemand komt, er niet is, wanneer hij/zij er zal zijn ...
  • doen plaatsnemen, iets aanbieden  (drankje, ...)
  • ...

Telefoneren:

  • vragen te mogen telefoneren; een telefoonnummer opgeven
  • gebruik maken van hulpdiensten (monitor, inlichtingen); vragen om een telefoongids, een e-mailadres ...
  • begin- en slotformules gebruiken; zich kenbaar maken; vragen met wie men spreekt, wie men mag melden
  • vragen naar een persoon (met wie men het gesprek eventueel in het Nederlands kan verderzetten);  doorverbinden
  • gepast reageren op een vergissing: zeggen dat het een vergissing is, zich verontschuldigen

Onderhandelen:

  • iets bedingen (vb. een prijs), een voorstel doen (je propose que ... ) een mening uiten (je pense que, je trouve que...) en ernaar vragen
  • vergelijken
  • aanvaarden, weigeren; zich akkoord/niet akkoord verklaren; voorkeur  uiten; twijfel of aarzeling uitdrukken
  • op eenvoudige wijze argumenteren (al dan niet houden van, al dan niet mooi vinden, graag/niet graag doen, goedkoop/  (te) duur, te vroeg/te laat, geen tijd ... )
  • een alternatief voorstellen of erom vragen (ou bien, ou plutôt, et si, est-ce qu'on ne pourrait pas ...)
  • een afspraak maken
  • het verzoek om een afspraak kenbaar maken
  • het doel van de afspraak meedelen of erom vragen
  • een tijdstip afspreken; de afspraak wijzigen, annuleren
  • vragen waar de afspraak zal plaatsvinden, waar men zich moet aandienen, tot wie men zich moet wenden.
  • een koop- of verkoopgesprek voeren:
  • vragen naar veel voorkomende artikelen; vragen wat de klant verlangt
  • de koopwens (doen) preciseren: grootte, hoeveelheid, verpakking, manier van versnijden, de afmetingen  (une boîte, un verre, un carton, un rouleau, une livre, un quart de litre, en tranches, une tranche de ... )
  • afrekenen: de prijs of het totaal opgeven; de rekening verduidelijken,  narekenen; vragen om gepast geld, pasmunt teruggeven
  • ...

Opmerking: het koop- of verkoopgesprek kan ook betrekking hebben op  diensten:  sociale voorzieningen, verzorging, een herstelling, enz.

De weg vragen en wijzen:

  • iets situeren t.o.v. referentiepunten (gebouw, kruispunt, verkeerslichten, brug, tramsporen, bocht, trap, verdieping ...)
  • de richting aanduiden
  • de beweging bepalen (descendre, monter, suivre, traverser, dépasser ...)
  • de afstand bij benadering aanduiden (20 minutes, 500 mètres, jusqu'au bout ...)

De leerlingen moeten deze taalhandelingen en gespreksvormen kunnen toepassen in praktische communicatie-situaties die aansluiten bij de eigen leefomgeving: op school, thuis, op vakantie, bij het uitoefenen van een vakantiejob, enz.

1.2 Tekst

De leerlingen moeten in staat zijn een tekst te begrijpen die gesteld is in eenvoudig Frans.  Moeilijke woorden zullen in vertaling of  verklaring aangegeven worden.

1.3 De grammaticale kennis

Deze gaat niet verder dan Le Français Fondamental 1er degré.  Dit betekent concreet dat de deelnemers vertrouwd moeten zijn met de volgende grammaticale items:

  • indicatif présent, imparfait, passé composé, plus-que-parfait, passé récent, futur antérieur, futur simple, futur  proche; impératif présent en  conditionnel présent van frequente werkwoorden
  • substantieven: frequente vrouwelijke vormen en meervoudsvormen
  • zelfstandig gebruikte voornaamwoorden
  • persoonlijke voornaamwoorden   (ter vervanging van C.O.D. of C.O.I. enkel in veel voorkomende gevallen), wederkerende, aanwijzende, vragende, onbepaalde (quelqu'un, quelque chose,  plusieurs, certains, chacun, on) voornaamwoorden
  • determinatieve woorden:
    - lidwoorden: onbepaald, bepaald, deelaanduidend, samengetrokken, vervanging door "de" na ontkenning en hoeveelheid
    - voorzetsels: de meest voorkomende
    - adjectieven: frequente vrouwelijke vormen en meervoudsvormen, eenvoudige en frequente vormen van comparatif en superlatif (c'est moins cher, plus confortable, il est le plus grand de sa classe ... )
    - bijvoeglijk gebruikte voornaamwoorden: bezittelijke, aanwijzende, vragende (quel), onbepaalde (quelques, chaque, même, autre, tout, plusieurs, ...)
    - bijwoorden: enkele veel gebruikte 
    - voegwoorden: enkele veel gebruikte
    - voorzetsels: de meest voorkomende

De leerlingen moeten de wetmatigheden bezitten die aan bod komen bij het produceren van eenvoudige zinnen: bouw van de mededelende, vragende, gebiedende en uitroepende zin, hanteren van de ontkenning.

De grammaticale kennis zal voornamelijk getoetst worden in het licht van functionaliteit: de fouten mogen niet communicatiestorend zijn.  En daarmee bedoelen we fouten die ook bij mondeling taalgebruik frappant in het oog springen en dikwijls een hinderpaal zijn om tot communicatie te komen.  Aangezien de schiftingsproef zal  worden afgenomen met multiple choicevragen, zal het probleem van de schrijffoutenlast, dat zich in deze afdelingen dikwijls stelt, geen of slechts een beperkte rol spelen.

 

Vorm van de M.C.-selectieproef

De test gebeurt met meerkeuzevragen, waarbij de deelnemer moet  kiezen tussen vijf mogelijke  antwoorden. Deze vraagvorm is de enig mogelijke omdat in een kort tijdsbestek veel deelnemers op een zo objectief mogelijke wijze moeten getoetst worden en de resultaten met hun statistische verwerking snel moeten beschikbaar zijn.  Er worden 100 vragen gesteld.

De deelnemers beschikken over twee uren effectieve werktijd.  Een marge van ± 15 minuten vooraf wordt best voorzien om de vraagformulieren toe te lichten.

De antwoorden worden gekwoteerd als volgt:

  • foutief antwoord: 0
  • geen antwoord: 0
  • goed antwoord: 1


2 DE MONDELINGE KLASSEMENTSPROEF

 

Voor Franstalige deelnemers is er geen mondelinge klassementsproef.  Zij worden definitief geklasseerd op basis van de schriftelijke selectieproef.

Zie reglement, punt 18 en 19.
“De centrale mondelinge ... eveneens volledig onder de verantwoordelijkheid van de respectieve jury's EN BESTAAT UIT EEN NEDERLANDSTALIG EN EEN FRANSTALIG INTERVIEW.” 
Deze proef gebeurt aan de hand van een gesprek waarbij wordt nagegaan of de kandidaat in staat is om de omschreven taalkennis ook in een reële conversatie aan te wenden.  Het ligt dus niet in de bedoeling enige encyclopedische kennis te toetsen, maar wel de taalvaardigheid van de kandidaat te evalueren.

De rangschikking wordt bepaald door een jury die zich baseert op de globale presentatie.  Daarbij wordt rekening gehouden met de diverse aspecten van de taalproductie, zoals vlotheid, correcte zinsbouw, goede uitspraak, enz., maar ook met het vermogen van de kandidaat om als persoon over te komen, zoals dit bijvoorbeeld zou gebeuren in het kader van een sollicitatiegesprek.