menu

Faculteit Rechten


Actueel

Faculteit Rechten

Universiteit Hasselt - Knowledge in action

< OVERZICHT

“Als decaan heb je humor en relativeringsvermogen nodig”    5 jan 2016

“Als decaan heb je humor en relativeringsvermogen nodig”
5 jan 2016

Eenentwintig jaar nadat ze aan de UHasselt begon te werken, nam professor Anne Mie Draye op 19 november officieel afscheid van collega’s en studenten. Maar haar emeritaat betekent nog niet dat ze de universiteit volledig loslaat – zo blijft ze doceren en doctorandi begeleiden. “Eén tip: probeer het beste van je werelden, je passies te combineren”, zegt ze terugblikkend in het jongste nummer van Nu weet je het!, de interne nieuwsbrief van de UHasselt.

Wie ‘Anne Mie Draye’ intikt op Google komt zowaar op Wikipedia terecht. “Aha, dat wist ik niet”, zegt ze ietwat verbaasd. “Maar nu ben ik wel érg benieuwd naar wat daar precies staat.” In die Wikibio valt onder meer te lezen dat Anne Mie Draye rechten aan de KU Leuven studeerde, haar loopbaan eind jaren zeventig bij de Koning Boudewijnstichting startte, in 1993 een doctoraat in de rechten behaalde en een jaar later aan de UHasselt (toen nog LUC) begon te werken.

Waarom koos u destijds voor rechten?
Uit interesse. En, natuurlijk, omdat rechten een brede opleiding is waarmee je veel richtingen uit kan. Op een blauwe maandag heb ik getwijfeld tussen rechten en archeologie. Mijn vader was voorzitter van de Koninklijke Vereniging van Archeologie en nam het hele gezin mee naar archeologische sites in België en het buitenland. Hij kon enorm gepassioneerd over erfgoed vertellen, dus de liefde voor archeologie heb ik van jongs af ingelepeld gekregen. Alleen: mijn vader raadde me als 18-jarige aan om éérst een opleiding te volgen waarmee je meteen aan het werk kon. En dus werd het rechten.

Nooit overwogen om dáárna alsnog archeologie te gaan studeren?
Na vijf jaar studeren niet meer, neen. Maar erfgoed loopt wél als een rode draad doorheen mijn carrière. Bij de Koning Boudewijnstichting hield ik me als jurist bezig met leefmilieu en monumentenzorg. In mijn doctoraat ging ik dieper in op de juridische aspecten rond de bescherming van erfgoed. Aan de Academia Istropolitana Nova in Bratislava en aan de KU Leuven doceerde ik heel wat jaren een, Engelstalig, vak over het onderwerp. En later ben ik lid en voorzitter geworden van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. Nu ik het zo bekijk: ik heb het grote geluk gehad dat ik mijn passies voor de juridische discipline en erfgoed heb kunnen combineren.

Waarom die overstap naar de academische wereld?
Bij de Boudewijnstichting kon ik me gaandeweg steeds minder bezighouden met juridische zaken. Ik kwam er een vroegere hoogleraar tegen aan wie ik toevertrouwde dat ik meer wetenschappelijk werk wilde doen. Hij wees me op een doctoraatspositie aan de KU Leuven, die ik dan meteen heb opgenomen. In 1993 behaalde ik mijn doctoraatstitel, in 1994 kreeg ik een baan aan de faculteit BEW. Ik mocht er rechtsvakken doceren.

Maar vanwaar die drang?

Mijn vader was hoogleraar, dus ik ben bij wijze van spreken opgegroeid in de academische wereld. Misschien heeft dat wel een rol gespeeld. Mijn zus en broer hebben trouwens ook gedoctoreerd…

OP DE KAART

In 2011 werd u decaan van de faculteit Rechten. Ging toen een lang gekoesterde carrièredroom in vervulling?
Neen, ik heb nooit plannen in die zin gehad (lacht). Na het vertrek van mijn voorganger ben ik, vanuit mijn positie als opleidingsdirecteur, aangesteld als decaan. Anderhalf jaar geleden ben ik dan formeel verkozen, maar toen al heb ik de faculteit gezegd dat ik er in 2015 mee zou stoppen.

Decaan zijn, wat houdt dat zoal in?
Een Engelse collega zei me ooit: Een decaan doet dingen die andere mensen niet willen doen. Overdreven misschien, maar als decaan ben je met véél verschillende dingen bezig. Je moet managen, overleggen met andere partners, als schakel fungeren tussen de faculteit en centrale diensten… Het is behoorlijk zwaar, zeker als je daarnaast nog graag aan onderzoek wil doen, zoals ik. Ik ben blijven publiceren.

Is het lonely at the top?
Ik heb van meet af aan een beleidsploeg gesmeed: samen met de vicedecaan (Johan Ackaert, intussen decaan, red.) en opleidingsdirecteur (Petra Foubert) zette ik de grote lijnen uit. Waarom? Omdat ik het belangrijk vond om draagvlak binnen de faculteit te creëren. Ik geloof niet in leiders die eenzaam aan de top staan.

Wat is hét hoogtepunt uit uw jaren als decaan?
Er is niet één succesmoment. Er is natuurlijk de groei van het aantal rechtenstudenten, maar óók de succesvolle visitaties. Met de kwaliteit en kwantiteit zit het dus goed. We staan als faculteit ook op de kaart, men wéét in Vlaanderen dat we er zijn. Onze studenten nemen deel aan thesisprijzen en pleitwedstrijden – soms met groot succes – , we zitten als UHasselt naast de andere uniefs in het overleg met de Orde van Vlaamse Balies, de media vinden hun weg naar onze experts… Daar hebben we erg naar gestreefd.

En de verhuizing naar Hasselt, toch ook een bepalend moment in de geschiedenis van de faculteit?
De Oude Gevangenis draagt zeker bij aan onze uitstraling, maar het – prachtige – gebouw is niet inherent aan de opleiding. Ik mag hopen dat we de opleiding ook tot een succes hadden kunnen maken in Diepenbeek. Het fantastische aan het gebouw bestaat er vooral in dat het aangepast is aan ons onderwijsconcept, met een mix van kleine lokalen én grote auditoria. En persoonlijk vond ik de verhuizing naar Hasselt een stap vooruit, zeker wat betreft omgeving. In Diepenbeek had ik de neiging om ’s middags door te werken, nu trek ik weleens de stad in.

SPIEKBRIEFJES

U was lange tijd de enige vrouwelijke decaan aan UHasselt. Hoe was dat?
Aan het begin van mijn decaanschap kreeg ik vaak uitnodigingen van andere universiteiten en instellingen met de aanspreking: Geachte heren decaan. (Lacht) Gelukkig is dat er intussen uit. Weet je: er zijn niet zoveel vrouwelijke hoogleraren aan de Vlaamse uniefs, UHasselt scoort op dat vlak eigenlijk nog behoorlijk goed. Of ik de zaken anders bekeek dan mijn mannelijke collega’s? Ik denk van niet. In vergaderingen, bijvoorbeeld in het College van Decanen, keek ik éérst als jurist, niet als vrouw naar de dingen.

Hoe zou u uw jaren als decaan in één woord omschrijven?
(Denkt na) Mag ik twee woorden gebruiken? Stimulerend en belastend. Als decaan werkte ik vijftig tot zestig uren per week, de werklast was zeer hoog. Ik maakte constant spiekbriefjes met dingen die ik niet mocht vergeten. Tegelijkertijd was het een stimulerende job: je had het gevoel dat je vooruitkwam. Samen met de beleidsploeg heb ik kleine overwinningen kunnen boeken en goede proffen kunnen aantrekken.

En wat hebt u geleerd?
Dat je als decaan de nodige relativering en humor aan de dag moet kunnen leggen.

Hebt u tips voor uw opvolger?
Ik heb in alle openheid samengewerkt en Johan Ackaert zet die openheid verder. Ik heb hem één tip gegeven: neem tijd voor jezelf, ook tijdens de week. Ik ging twee keer per week ’s morgens een uurtje paardrijden in de natuur. Ik heb thuis Ierse volbloedpony’s in de weide staan. Ook iets uit mijn jeugd: ik groeide op met dieren en heb al dertig jaar paarden. (Lacht) En op mijn paard probeerde ik vooral niét aan de faculteit te denken.

Is er een parallel tussen decaan zijn en paardrijden?
Als je paardrijdt, moet je ook anticiperen en alert zijn. En organisatie en time management zijn belangrijk voor een decaan én ruiter. Om 8 uur poets ik de paarden, om 8.30 uur zat ik in het zadel, een uur later was ik weer terug. Een strak schema.

MOOIE DINGEN

Stel: u krijgt de kans om opnieuw te beginnen. Wat zou u ánders doen?

Niet zo veel. Ik ben blij dat ik mijn loopbaan destijds niet aan de universiteit begonnen ben. En dat ik, ook als academica, naar buiten ben blijven treden, bijvoorbeeld als adviseur erfgoed en stedenbouw. Dat maakte dat ik mijn lessen steeds kon stofferen met praktijkvoorbeelden. En zoals ik al zei: ik heb mijn twee werelden kunnen combineren. Da’s een tip die ik iederéén geef.

Het woord emeritaat betekent ‘uitgediend’, ‘rustend’. Gaat u nu veel rusten?
Ik voel het rustiger ritme al, maar helemaal stilzitten doe ik niet. Zo blijf ik het vak ‘Bouwrecht en deontologie’ aan de faculteit ARK doceren, doctorandi begeleiden en publiceren. Ook zal ik me meer bezighouden met de alumniwerking van de faculteit. En dan zijn er nog de traditionele, maar heel fijne dingen: meer tijd spenderen met het gezin en de kleinkinderen, reizen en cultuur opsnuiven. Ik houd nu eenmaal van mooie dingen…

Wat is uw toekomstdroom voor de faculteit Rechten?
Ik hoop dat de faculteit haar huidige elan kan verderzetten, met een verdere uitbouw van haar masteropleidingen en Erasmusnetwerk. Maar dat zal dus aan mijn opvolger en zijn team zijn, want ik heb niet de ambitie om mee over hun schouders te kijken. Al zal ik voor tips altijd paraat blijven staan, natuurlijk. Ik heb er in ieder geval vertrouwen in en wens de faculteit alle succes toe.