menu

Studenten en doctorandi


Studeren aan de UHasselt

Studenten en doctorandi

Universiteit Hasselt - Knowledge in action

2. TAALREGELING

Artikel 2.1 Onderwijstaal initiële bachelor- en masteropleidingen

Artikel 2.2 Voorwaarden inzake kwaliteit en democratisering

Artikel 2.3 Postinitiële opleidingen

 

Artikel 2.1 Onderwijstaal initiële bachelor- en masteropleidingen

(Codex hoger onderwijs Deel 2 Titel 4 Hoofdstuk 8)

  1. De onderwijstaal van de universiteit is het Nederlands. In de initiële bachelor- en masteropleidingen kan evenwel een andere onderwijstaal dan het Nederlands worden gebruikt, conform de bepalingen in dit deel (2. Taalregeling). Als een opleiding gebruik wil maken van die mogelijkheid, moeten de waarborgen inzake kwaliteit en democratisering, vermeld in artikel 2.2, vervuld zijn vóór 15 februari 2015.

  2. In de bachelor- en masteropleidingen kan een andere taal dan het Nederlands gebruikt worden voor:
    a. opleidingsonderdelen die een vreemde taal tot onderwerp hebben en in die taal worden gedoceerd;
    b. opleidingsonderdelen die gedoceerd worden door anderstalige gastprofessoren;
    c. anderstalige opleidingsonderdelen die conform art. 9 worden gevolgd aan een andere instelling van hoger onderwijs;
    d. de opleidingsonderdelen waar uit de expliciet gemotiveerde beslissing de meerwaarde voor de studenten en het afnemende veld en de functionaliteit voor de opleiding blijkt.

  3. Een anderstalige initiële bacheloropleiding is een initiële bacheloropleiding waarvan de omvang van de opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, aangeboden in een andere onderwijstaal dan het Nederlands in het modeltraject van die opleiding hoger is dan 18,33% van de totale omvang van de in die opleiding aangeboden opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, in het modeltraject. Bovendien wordt een niet-anderstalige initiële bacheloropleiding als anderstalige initiële bacheloropleiding beschouwd indien uit evaluatie door de Vlaamse Regering blijkt dat meer dan 33% van het aantal afgestudeerden meer dan 18.33% van hun studiepunten verworven hebben in opleidingsonderdelen in een andere taal dan het Nederlands of indien uit evaluatie door de Vlaamse Regering blijkt dat gedurende twee opeenvolgende academiejaren ten minste 25% en ten hoogste 33% van het aantal afgestudeerden in een niet-anderstalige bacheloropleiding meer dan 18.33% van hun studiepunten verworven hebben in opleidingsonderdelen in een andere taal dan het Nederlands. Voor de berekening van de grens van 18.33% worden de opleidingsonderdelen vermeld in lid 2 a en c niet meegerekend. (Codex hoger onderwijs art. II.261 §3 en art. II.268 §2)

  4. Een anderstalige initiële masteropleiding is een initiële masteropleiding waarvan de omvang van de opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, aangeboden in een andere onderwijstaal dan het Nederlands in het modeltraject van die opleiding hoger is dan 50% van de totale omvang van de in die opleiding aangeboden opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, in het modeltraject. Bovendien wordt een niet-anderstalige initiële masteropleiding als anderstalige initiële masteropleiding beschouwd indien uit evaluatie door de Vlaamse Regering blijkt dat meer dan 33% van het aantal afgestudeerden meer dan 50% van hun studiepunten verworven hebben in opleidingsonderdelen in een andere taal dan het Nederlands of indien uit evaluatie door de Vlaamse Regering blijkt dat gedurende twee opeenvolgende academiejaren ten minste 25% en ten hoogste 33% van het aantal afgestudeerden in een niet-anderstalige masteropleiding meer dan 50% van hun studiepunten verworven hebben in opleidingsonderdelen in een andere taal dan het Nederlands. Voor de berekening van de grens van 50% worden de opleidingsonderdelen vermeld in lid 2 a en c niet meegerekend. (Codex hoger onderwijs art. II.261 §3 en art. II.268 §2)

  5. De opleidingsonderdelen die in een andere taal dan het Nederlands worden onderwezen worden vermeld in de studiegids. De faculteit zal toezicht houden op het gebruik van een vreemde taal.

  6. Een instelling kan enkel een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding aanbieden als het om opleidingsprogramma's gaat die specifiek voor buitenlandse studenten zijn ontworpen of als de meerwaarde voor de studenten en het afnemende veld en de functionaliteit voor de opleiding op voldoende wijze aangetoond kunnen worden.

  7. De instelling kan een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding aanbieden op voorwaarde dat er in de Vlaamse Gemeenschap een equivalente initiële bachelor- of masteropleiding wordt aangeboden waarbij de student een opleidingstraject volledig in het Nederlands kan volgen. De opleidingsonderdelen, vermeld in lid 2, a en c, worden hierbij buiten beschouwing gelaten.

  8. Behoudens in de gevallen dat er een vrijstelling van de equivalentievoorwaarde werd verleend, moeten de studenten op elk moment de garantie hebben dat er binnen de Vlaamse Gemeenschap een equivalente initiële bachelor- of masteropleiding wordt aangeboden. In afwijking van lid 7, kan het instellingsbestuur vrij initiële anderstalige bachelor- of masteropleidingen aanbieden enkel en alleen als het gaat om opleidingsprogramma's die specifiek in het kader van het International Course Programme van ontwikkelingssamenwerking voor buitenlandse studenten zijn ontworpen, of als het gaat om anderstalige initiële bachelor- of masteropleidingen die geselecteerd zijn overeenkomstig de bepalingen van een Europees programma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multidiplomering of gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld. (Codex hoger onderwijs art. II.265 §1)

 

Artikel 2.2 Voorwaarden inzake kwaliteit en democratisering

(Codex hoger onderwijs art. II.270 en art II.271)

  1. Elk lid van het onderwijzend personeel en van het academisch personeel, belast met een onderwijsopdracht, moet de onderwijstaal waarin hij een opleidingsonderdeel doceert op adequate wijze beheersen. Dit betekent dat het personeelslid die taal moet beheersen op het ERK-niveau C1. Dit vereiste beheersingsniveau van de onderwijstaal wordt aangetoond aan de hand van kwalificatiegetuigschriften uitgereikt door officieel erkende instellingen waaruit blijkt dat het personeelslid de onderwijstaal op het vereiste niveau beheerst. Het vereiste beheersingsniveau wordt vermoed aanwezig te zijn als het betrokken personeelslid een diploma secundair onderwijs of een bachelor- of masterdiploma of doctoraat behaald heeft in de onderwijstaal waarin hij doceert, in een instelling waarin die taal de onderwijstaal is.

  2. Elk lid van het onderwijzend personeel en van het academisch personeel, belast met een onderwijsopdracht, dat geen opleidingsonderdelen in het Nederlands doceert, moet de Nederlandse taal beheersen op ERK-niveau B2. Aan die voorwaarde moet voldaan worden binnen drie jaar na zijn aanstelling of op het moment van zijn benoeming. Het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal wordt aangetoond aan de hand van kwalificatiegetuigschriften uitgereikt door officieel erkende instellingen waaruit blijkt dat het personeelslid de Nederlandse taal op het vereiste niveau beheerst. Het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal wordt vermoed aanwezig te zijn als het betrokken personeelslid een Nederlandstalig bachelor- of masterdiploma of doctoraat behaald heeft in een niet-anderstalige opleiding. Bovendien wordt het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal (B2) vermoed aanwezig te zijn voor de leden van het onderwijzend personeel en van het academisch personeel, belast met een onderwijsopdracht, die:
    1° voor 2013-2014 benoemd zijn
    2° voor 2013-2014 aangesteld zijn met het oog op een vaste benoeming
    3° voor 2013-2014 aangesteld zijn voor onbepaalde duur.
    (Codex hoger onderwijs art. II.389)

  3. De instelling voorziet voor de leden van het onderwijzend personeel en van het academisch personeel in aangepaste voorzieningen, waaronder een toegankelijk en behoeftedekkend aanbod van Nederlandstalige en anderstalige taalcursussen en taalbegeleidingsmaatregelen.

  4. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 3.1 en 3.2 van de Onderwijsregeling, voorziet de instelling in de mogelijkheid dat studenten die een initiële bachelor- of masteropleiding volgen met anderstalige opleidingsonderdelen of een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding, hun taalkennis van deze andere taal kunnen testen.
    De instelling voorziet in het opleidingsprogramma van initiële bachelor- of masteropleidingen met anderstalige opleidingsonderdelen of van anderstalige initiële bachelor- of masteropleidingen in taalbegeleidingsmaatregelen. Deze taalbegeleidingsmaatregelen kunnen bestaan uit :
    1° taal opleidingsonderdelen (met inbegrip van taalvakken) die aangeboden worden binnen het pakket van verplichte opleidingsonderdelen of als een verplicht keuzevak;
    2° taalbegeleidingsmaatregelen die geïntegreerd worden in de anderstalige opleidingsonderdelen. Deze taalbegeleidingsmaatregelen voorzien in een actieve begeleiding van de studenten en zijn als dusdanig voor de studenten duidelijk herkenbaar in het opleidingsonderdeel.
    Van deze voorwaarde kan afgeweken worden in de volgende gevallen :
    1° als in het geval van een aansluitende masteropleiding de taalbegeleidingsmaatregelen opgenomen zijn in de voorafgaande bacheloropleiding;
    2° als in het geval van een niet-aansluitende masteropleiding de taalbegeleidingsmaatregelen opgenomen zijn in het voorbereidingsprogramma of in het schakelprogramma.

  5. De instelling voorziet voor studenten in aangepaste voorzieningen, waaronder een kosteloos toegankelijk en behoeftedekkend aanbod van Nederlandstalige en anderstalige taalcursussen en taalbegeleidingsmaatregelen.

    Studenten hebben het recht over een opleidingsonderdeel waarin een andere onderwijstaal dan het Nederlands wordt gebruikt en waarvoor in dezelfde opleiding/postgraduaat geen equivalent in het Nederlands wordt gedoceerd, het examen in het Nederlands af te leggen, met uitzondering van de opleidingsonderdelen, vermeld in artikel 2.1 lid 2, a en c. Deze regeling is niet van toepassing op anderstalige initiële bachelor- en masteropleidingen.

 

Artikel 2.3 Postinitiële opleidingen

(Codex hoger onderwijs art. II.267)

  1. De instelling bepaalt vrij de onderwijstaal in de bachelor-na-bachelor-opleidingen, de master-na-masteropleidingen, de postgraduaatsopleidingen en in de onderwijs- en andere studieactiviteiten die in het kader van permanente vorming als nascholing of bijscholing worden georganiseerd.