Logo UHasselt

menu

Olyfran-31


JUNIOR & MAX (2e en 3e graad)

JUNIOR & MAX (2e en 3e graad)

Logo UHasselt Universiteit Hasselt - Knowledge in action

LEERSTOFOMSCHRIJVING JUNIOR

De categorie JUNIOR baseert haar leerstofomschrijving op de in voege zijnde programma’s (leerplannen), m.n. wat normaal gezien is tegen het midden van het 4de jaar.

De aangeboden schriftelijke vragenreeks (op papier) bestaat uit 75 vragen: 10% vragen tekstbegrip en 90% taalvragen. Deze 75 vragen moeten opgelost worden in anderhalf uur (90 minuten, aaneengesloten). Er wordt gewerkt met meerkeuzevragen met vijf afleiders (of antwoordmogelijkheden) en telkens één (en maar één) goede oplossing.

Er worden 65 vragen geput uit de vragen van vroegere edities van "Olyfran-Vlaanderen". De taalvragen zijn voornamelijk communicatief (korte dialogen, replieken, zinnen uit gesprekken …). Ze zijn geïnspireerd op de hierna opgesomde “communicatieve vaardigheden”. Onderdelen van de “grammatica” worden getoetst in communicatieve zinnen.

De leestekst met 10 vragen (leesvaardigheid) is wel elk jaar nieuw.

Er wordt slechts een zeer beperkt aantal vraagtypes gebruikt.

Samengevat bestaat de leerstof uit:   

  • De info begrijpen van eenvoudig gesproken en geschreven teksten.
  • Deelnemen aan eenvoudige gesprekken n.a.v. van voorbeeld-dialogen.
  • Informatie verstrekken omtrent zichzelf, de omgeving en leefwereld.
  • Inlichtingen verstrekken op invulformulieren: mededelingen en eenvoudige teksten aanvullen over bestudeerde onderwerpen en persoonlijke ervaringen.
  • Er zullen ook een vijftal vragen over "cultuur" gesteld worden: eten, drinken, toerisme, administratieve organisatie van Wallonië en Frankrijk, onderwijsorganisatie ...

 

Overzichtstabel:

1 De Startronde met 75 meerkeuzevragen
1.1 Communicatieve vaardigheden
1.1.1 Situaties
1.1.2 Taalfuncties
1.2 Taalkundige component (grammatica)
1.2.1 Morfologie
1.2.2 Syntaxis
1.3 Vraagtypes

2 De mondelinge Finaleronde

 

 

1  DE STARTRONDE MET 75 MEERKEUZEVRAGEN (M.C.)

 

1.1 Communicatieve vaardigheden

1.1.1 Situaties

  • kennismaken
  • afspreken
  • vragen stellen/spreken over:
    • zichzelf, anderen, familie, vrienden, leefgewoonten
    • de woonomgeving
    • de huisdieren
    • school en studie
    • vrije tijd, hobby’s
  • deelnemen aan activiteiten:
    • ontspanning
    • op bezoek gaan
    • cultuur
    • huishouden
  • zich redden in nutsituaties:
    • de weg vragen en wijzen
    • iets kopen of bestellen
    • hulp vragen en bieden
    • ongemakken signaleren
  • spreken over interessepunten eigen aan hun leefwereld:
    • vriendschap
    • relatie jongens-meisjes
    • zakgeld
    • gezondheid en levenswijze
    • het uiterlijk
    • jeugdbeweging
  • inlichtingen verstrekken:
    • de weg
    • het uur
    • toeristische bezienswaardigheden
    • evenementen
  • hulp bieden

top

1.1.2 Taalfuncties    

WIE?

  • Zich voorstellen, vragen/zeggen wie iemand is.
  • Vragen naar een persoon, zeggen dat men de persoon gaat halen, dat hij er niet is, wanneer hij er zal zijn …
  • Vragen/zeggen wie iets doet
  • Zeggen hoe iemand er uitziet

WAT? Informatie vragen

  • Een voorwerp vragen, het gevraagde geven, zeggen dat men het gaat halen, dat men het niet heeft, dat men niet weet waar het zich bevindt
  • Een voorwerp beschrijven
  • Een dienst vragen
  • Een mening vragen en geven
  • Instructies vragen en geven
  • Vragen/vertellen wat er gebeurt
  • Vragen naar accommodatie en comfort in een hotel, camping, …
  • Een klacht formuleren

WAAR? WAARHEEN? WAARVANDAAN?

  • Vragen/zeggen waar iemand of iets zich bevindt
  • … waar iets gebeurt
  • … waar men naartoe gaat, waar men vandaan komt
  • … hoe men zich verplaatst, of het ver is …

WANNEER?

  • Vragen naar het moment waarop (uur en datum), de duur, de frequentie, de volgorde en deze inlichtingen verstrekken
  • Vragen/vertellen wat gebeurd is
  • Vragen/vertellen wat zal gebeuren, iets afspreken

HOEVEEL? HOE GROOT?

  • Vragen naar hoeveelheid, prijs, afmetingen, afstand, maat, gewicht… en op deze vragen antwoorden

HOE? WAAROM?

  • Vragen naar hoe en waarom en deze vragen beantwoorden

EN VERDER:  

  • Iets bevestigen of ontkennen, aanvaarden of weigeren, al dan niet met iets instemmen, zeggen dat men iets niet kan doen enz.
  • Een mening naar voren brengen
  • Zekerheid, (on)waarschijnlijkheid, twijfel uitdrukken
  • Vergelijken, een voorkeur uiten, zeggen dat men van iets (niet) houdt, dat men iets (niet) graag doet of heeft
  • Gevoelens uiten
  • Reden, oorzaak, doel, gevolg uitdrukken
  • Iets beloven
  • Begroeten, afscheid nemen, danken, zich verontschuldigen, gelukwensen, …
  • Gangbare telefoonconventies toepassen
  • … 

top

1.2 Taalkundige component (grammatica) 

1.2.1 Morfologie

  • Lidwoorden: bepaald, onbepaald, samengetrokken (contracté), delend (partitif)
  • Persoonlijke voornaamwoorden
  • Gebruikelijke zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden
  • Telwoorden
  • Bijwoord
  • Voegwoorden en voorzetsels
  • Werkwoord 
    1. Morfologie van de tijden van de
      • Indicatif: présent, passé récent, passé composé, imparfait, plus-que-parfait, futur proche, futur simple, futur antérieur (passieve kennis van de passé simple)
      • Subjonctif : présent - passé
      • Conditionnel : présent - passé
      • Impératif
      • Infinitif présent et passé
    2. De meest voorkomende regelmatige + onregelmatige werkwoorden
    3. Het referentiekader van tijden en wijzen met het mechanisme van de samengestelde tijden ten opzichte van enkelvoudige tijden, actieve en passieve vormen, het gebruik van hulpwerkwoorden.

top

1.2.2 Syntaxis   

  • Zinsanalyse:
    • Hoofdzin, bijzin
    • Onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, bepaling van gesteldheid, (naamwoordelijk deel van het) gezegde,
  • Functioneel gebruik van de modi (meest frequente gevallen voor subjonctif).
  • Functioneel gebruik van de passé composé, imparfait en plus-que-parfait; passé simple kunnen herkennen en interpreteren
  • Onpersoonlijk werkwoord
  • Overeenkomst binnen zinsdelen en binnen de zin. Bijvoorbeeld:
    • Zelfstandig – bijvoeglijk naamwoord
    • Werkwoord - onderwerp
    • Participe passé: bijvoeglijk gebruikt, vervoegd met être, vervoegd met avoir (meest frequente gevallen), verbes pronominaux (meest voorkomende gevallen)
  • Onderscheid bijvoeglijk – zelfstandig naamwoord
  • Gebruik en plaats van het bijwoord
  • Eenvoudige syntaxis van de vergelijking, van de bijzinnen van tijd, doel, voorwaarde, gevolg, reden, toegeving, tegenstelling
  • Gebruik van de gérondif om de gelijktijdigheid uit te drukken van twee handelingen die door dezelfde persoon uitgevoerd worden
  • Eenvoudige zinsberegeling: plaats van het bijvoeglijk naamwoord, plaats en volgorde van de persoonlijke voornaamwoorden (vooral de combinaties van y en en), plaats van de zinsdelen, mise en relief, négation, interrogation.
  • Indirecte rede/vraag. 

top

1.3 Mogelijke vraagtypes (zie ook vragen afgelopen edities op de Olyfran-site)

  • Quelle est la meilleure réaction?
  • Quelle réaction N'est PAS correcte?
  • Quelle est la meilleure traduction?
  • Quelle traduction N’est PAS correcte?
  • Quelle est la meilleure réponse?
  • Quelle est la meilleure combinaison?
  • Quelle combinaison N’est PAS correcte?
  • Où les parties soulignées sont-elles prononcées de la même façon?

top

 

2  DE MONDELINGE FINALERONDE

Voor Franstalige deelnemers is er geen mondelinge Finaleronde.  Zij worden definitief geklasseerd op basis van de schriftelijke Startronde (zie Reglement).

Deze proef bestaat uit een gesprek waarbij (bijvoorbeeld) aan de kandidaten gevraagd wordt iets te vertellen over:

  • zichzelf
  • hun familie (broers, zussen, ouders, beroep van ouders, …)
  • hun woonplaats (dorp of stad, streek, bezienswaardigheden, …)
  • hun vrijetijdsbesteding (sport, muziek, bioscoop, lectuur, …)
  • hun school (studierichtingen, vakken, schoolreglement, reizen, …)
  • hun toekomstplannen (verdere studies, beroepskeuze, …)
  • hun vakanties (reizen, vakantiejob, …)
  • hun voorbereiding op Olyfran 

top