Logo UHasselt

menu

Olyfran-32


OLVL: Olyfran-Vlaanderen

Olyfran-32

Logo UHasselt Universiteit Hasselt - Knowledge in action

HET BELANG VAN VREEMDE TALEN (EN CULTUREN) IN HET BEDRIJFSLEVEN

W. Clijsters,
Gewoon hoogleraar Limburgs Universitair Centrum
Directeur Centrum Taaldidactiek & Toegepaste Linguïstiek

In “Références Emploi” van 10-11 april ll., de bijlage bij “Le Vif-L’Express” & «Tendances” (Trends), kon men in het kernartikel van Annick Capelle onder de titel “Les langues se délient – Quelle langue parle-t-on dans nos entreprises?» het volgende lezen:

«Le constat semble donc sans appel: la connaissance des langues est devenue le passeport pour l’emploi.»

en aansluitend citeert zij Marc Vandenhautte, algemeen directeur van het CLL, het talencentrum van de UCL, die stelt:

«Une langue très bien connue vaut un diplôme universitaire»

waaraan hij onmiddellijk toevoegt

«Mais une langue ne suffit plus».

Is dat zo?  Of is dit een van de vele voorbeelden van de lippendienst die aan het belang van talen bewezen wordt, terwijl dit soort uitspraken eerder voor vrome wensen van goedbedoelende dromers, meestal dan nog uit taalkundige hoek, moet genomen worden?

Mag ik, om te beginnen, enkele anecdotes aanhalen.  U zult misschien dadelijk zeggen: wat heeft dat allemaal met het onderwerp van deze lezing te maken?  Maar ik hoop dat het u snel zal duidelijk zijn.

Ik citeer uit het artikel “Zelfverzekerd zakenlunchen” van het aprilnummer van het e-zine van de VDAB onder de kop “Praat niet enkel over zaken”:

“Meteen over het werk beginnen is geen goed idee.  Toon dat je interesses verder gaan.  De meeste mensen praten graag over zichzelf.  Stel geïnteresseerde vragen, zonder persoonlijk te worden.  Luister aandachtig naar de antwoorden.”

Maar allemaal goed en wel, waarover mag je dan vragen stellen, of moet je misschien best vragen stellen om als een waardevol gesprekspartner aangezien te worden: politiek, sport, het gezin, de werkomstandigheden, de arbeidsverloning, de morele en godsdienstige waarden in de huidige maatschappij, het culturele leven, de vreemdelingenproblemen, het sociaal klimaat…  Wie ondervinding heeft, weet dat dit erg verschillend ligt van het ene land tot het andere.

En wat dan te denken van volgende anecdote die als authentiek in de literatuur geciteerd wordt.

Een Nederlandse bedrijfsleider wil met zijn beste Frans en met de grootste charme en galanterie een vrouwelijke Franse zakenrelatie in zijn kantoor binnenlaten en nodigt haar vóór de deur als volgt uit: “Je vous en prie, Madame.  Entrez dans ma chambre.”  U kunt zich de consternatie van de dame voorstellen, want dit is het soort uitnodigingen dat men tot een ander soort relaties richt: in een “chambre” staat immers altijd een bed!

Of kunt u zich voorstellen - echt gebeurd en mezelf verteld door de betrokken Vlaamse partner - dat een bedrijf een miljoenencontract uitvoert met als enige geschreven basis een bierviltje met daarop de eenheidsprijs en het aantal te leveren eenheden.  Dit kan uiteraard enkel in een universalistische, collectivistische cultuur zoals een Mediterrane samenleving en niet in een individualistische, particularistische zoals een Germaanse, om de terminologie van F. Trompenaers die hierover onderzoek deed, te gebruiken.

Of nog enkele andere vraagjes:

  • Vertaalt u alle “je’s” van het Nederlands door “tu” in het Frans of “Du” in het Duits?
  • Hoe “precies” is het overeengekomen ogenblik voor een afspraak, de betaaltermijn van een factuur?
  • Heeft u ook al onmiddellijk na uw middagpauze gebeld naar een Franse of Spaanse zakenpartner?
  • En hoe geraakt u voorbij de “barrage secrétaire” in een Frans bedrijf?
  • En waarom werd indertijd bij ons de promotiecampagne voor het Belgisch textiel in het Nederlands gepresenteerd met een blondine en in het Frans met een brunette?
  • En moet u een relatiegeschenk meenemen, en zo ja wat?  Of misschien wel commissies oftewel steekpenningen voorzien?

Kijk, woordjes en grammaticale regels leren toepassen is één zaak.  Weten wat je in welke omstandigheden tegen wie zegt met welke ondersteunende omgevingselementen is een andere, minstens even belangrijke kennis.

Sinds meer dan vijftien jaar doen we aan het Limburgs Universitair Centrum onderzoek naar de plaats van vreemde-talen in het bedrijfsleven.  Het begon in 1986 met een eerder bescheiden analyse van plaatsaanbiedingen verschenen in diverse Vlaamse kranten, gevolgd in 1988 door een enquête binnen de Limburgse KMO’s.  Immers men ging er toen algemeen van uit dat grote ondernemingen per definitie “export-bedrijvig” waren en dus voldoende personeelsleden met vreemde-talenkennis aan boord moesten hebben.  Maar gold dit ook voor KMO’s?  Daarenboven was het debat over de plaats van het Frans in het Vlaamse secundair onderwijs volop bezig terwijl men anderzijds alsmaar luider sprak over globalisering en mondialisering door de uitbreiding van de E.G. (Europese Raad van Luxemburg, 12.12.1997) en het ontstaan of de intensificatie van diverse vrijhandelszones (NAFTA: °1994; ASEAN: °1967, 1990…; MERCOSUR: °1991).

Globaal beeld, macro-beeld

De beide geciteerde onderzoeksvoorbeelden geven de wegen aan die meestal in dit soort onderzoek gevolgd werden.  Enerzijds de analyse van plaatsaanbiedingen.  Hierin kan men achterhalen welke talenvereisten gesteld worden per beroep of functie, per soort bedrijvigheid, per regio.  Beleidsmakers, zoals curriculumverantwoordelijken, die met deze informatie willen rekening houden, kunnen zich hierop baseren om te bepalen welke vreemde talen ze in een bepaald programma best voorzien om zo goed mogelijk de brug te slaan tussen opleiding en bedrijfsrealiteit.

Anderzijds wordt ook gewerkt met enquêtes in bedrijven.  Hierbij worden bedrijfsleiders zowel als beroepsactieve mannen en vrouwen “op de werkvloer”ondervraagd.

Deze informatie levert de onderzoeker gegevens op over vragen zoals:

  • welke economische sectoren met anderstalige contacten te maken hebben
  • welke jobs en functies in deze sectoren de meeste allofone relaties hebben
  • of er significante correlaties bestaan met parameters zoals de grootte van het bedrijf, zijn geografische ligging, zijn inbedding in grotere structuren zoals multinationals
  • welke rol talenkennis speelt bij aanwerving en zo ja, onder welke vorm talenkennis in de aanwervingsprocedure getest wordt
  • welke rol talenkennis speelt bij promotie en carrière-uitbouw
  • in welke mate bedrijven geconfronteerd worden met een tekort aan vreemde-talencompe­tentie
  • hoe ze dit dan opvangen of oplossen
  • of bedrijven zakenopportuniteiten verspelen door een tekort aan vreemde-talencompetentie
  • en uiteindelijk, of bedrijven een (echte) strategie kennen op het vlak van de anderstalige communicatie

Beide onderzoeksmethoden worden vaak gecombineerd en dan nog verder aangevuld met diepte-interviews met bevoorrechte getuigen om de bekomen gegevens te nuanceren, te interpreteren en te verklaren.

Al deze inspanningen geven een panaroma, een globale kijk, een macro-beeld van de plaats die vreemde-talen in het bedrijfsleven innemen.  Ze verschaffen echter geen concrete inlichtingen die programmamakers kunnen helpen om opleidingsprofielen uit te schrijven, om vormingsparcours uit te tekenen.  Daartoe is precieser informatie nodig vanuit “het veld” en moet de focus versmald worden en gericht op de uitvoering van de job zelf om het noodzakelijke detailbeeld te bekomen, een bruikbaar micro-beeld.

Detailkijk, micro-beeld

Personeelsleden-op-de-werkvloer weten, beter dan wie ook, met welke concrete situaties ze in hun job geconfronteerd worden: ze ondervinden het immers dagelijks aan den lijve.  Ze ervaren tevens of hun opleiding hen correct voorbereidde en welke lacunes ze liet.  Ze kunnen eventueel rapporteren hoe ze hun huidige competentie verworven hebben.  Ze kunnen vertellen met welke communicatiekanalen ze welke vreemde-talen gebruiken.  Ze kunnen details geven over de soort omstandigheden waarin ze communiceren, de aard van de partners met wie ze communiceren en welke moeilijkheden ze daarbij ondervinden.

Vooral deze informatie is essentieel om gecibleerde opleidingspakketten uit te werken.  Immers bedrijfsmensen, vooral deze met een technische profiel, voelen zich vaak verloren, ja hulpeloos tegenover de noodzaak een “taal” te moeten leren.  Kozen ze trouwens geen technische opleiding, juist omdat ze geen talenknobbel hadden?  Die opdracht lijkt hen dan ook zo omvangrijk, zo onvatbaar, zo onafgelijnd.  Het gaat helemaal in tegen hun eigen professionele cultuur, waar men met duidelijk omschreven problemen werkt, waarvoor men snelle oplossingen zoekt.  Bijgevolg is het zeer logisch dat ze slechts wensen te investeren in korte, intensieve zeer praktijkgerichte opleidingen.

 Welke studies voerden we uit en wat leverden ze op?

Vooreerst werden globale studies uitgevoerd, dit om een duidelijk macro-beeld te verkrijgen.  Het begon, zoals gezegd, met een enquête in 1988 in de Limburgse KMO’s gevestigd op industrieterreinen van de hand van Hilde Vandervelden, toenmalig student handelsingenieur.  Daarop volgden studies:

van Els Van Baelen in 1991 over de vreemde-talenbehoeften van KMO’s uit het arrondissement Turnhout, van Karin Alaerts in 1992 over Vlaams-Brabantse KMO’s, van Mirella Bertolacci in 1995 over bedrijven in Nederlands Limburg, van Tineke Gielis in 2000 over Limburgse KMO’s, van V. Menten in Vlaams-Brabantse KMO’s (2002).

Ook werden nog studies gemaakt van de vreemde-talenbehoeften van technisch ingenieurs (R. Vos, 1994) en de toeristische sector (V. Bikkembergs, 1999).

Parallel hiermee werd in de periode 1991-1994 in het kader van een Europees Lingua-project dat we coördineeerden, een grote enquête uitgevoerd over dezelfde thematiek in vier West-Europese regio’s, m.n. Nord-Pas de Calais en Anjou in Frankrijk, Noord-Spanje en Vlaanderen.

top   

Welke beeld leverden deze studies op?

Vóór we naar de gegevens gaan kijken, is echter een waarschuwing op zijn plaats.  De algemene cijfers die u dadelijk zult horen, zijn statistische gemiddelden, die zeer grote individuele verschillen kunnen verbergen.  Zo zijn er ongetwijfeld bedrijven die geen of nauwelijks contacten in andere talen hebben, terwijl sommige andere het grootste deel van hun omzet realiseren in misschien een of andere exotische taal (Spaans, Italiaans, Arabisch, Pools, Tsjechisch…)

Terug echter naar de studies…

Vooreerst kan men een constante lijn terugvinden over de jaren heen waarbij twee vaststellingen zich krachtig opdringen:

1- nergens is het bewustzijn van de noodzaak van vreemde-talenkennis zo groot als in Vlaanderen

2- de algemeen verspreide idee dat Engels alle problemen oplost en de andere talen overbodig maakt is een fabel

De Belgische economie [1] is bij uitstek exportgericht: meer dan 7/10 van zijn BNP wordt uitgevoerd.  Hiervan neemt Vlaanderen het overgrote deel voor zijn rekening, ongeveer 77 % (d.i. 86 % van het Vlaams bruto regionaal product) tegenover 14 % voor Wallonië en 9 % voor Brussel.  De belangrijkste Vlaamse exportpartners zijn sinds 2000 (in volgorde): Frankrijk (17,6 %), Duitsland (16,7 %), Nederland (12 %), Verenigd Koninkrijk, VS, enz.  Het gaat hier uiteraard enkel over export tussen landen, de verrichtingen in het Frans met Wallonië en Brussel zitten niet in deze cijfers.

Als we dan naar de KMO’s uit de diverse onderzoeken gaan kijken, zien we dat

  • de Antwerpse Kempen het minst handelen met allofone partners (26,2 %), Limburg wat meer (32,4 %), Vlaams-Brabant het meest (36,3 %)
  • bijna alle bedrijven (minst in de Antwerpse Kempen: “slechts” 90,6 %), welk ook hun vestigings­plaats is, met anderstalige partners te maken hebben
  • de meeste zelfs dagelijks (61,4 - 74 - 86,4 %) [2]
  • Linguaplan Limburg 1993, dat voornamelijk Limburgse KMO’s ondervroeg, geeft als meest anderstalig georiënteerde sectoren aan: handel en hotelsector (47 %) gevolgd door transport en communicatie (26 %)
  • het stelt anderzijds een duidelijk verband vast tussen het aantal werknemers per bedrijf en zijn volume aan anderstalige contacten: dus hoe groter het bedrijf, hoe meer allofone relaties.

Op twee manieren trachten deze studies een beeld te bekomen van het onderling belang van de vreemde talen voor de ondervraagde KMO’s.  Wat levert dit op?

  • Engels komt minder frequent voor dan Duits, behalve in Vlaams-Brabant, en deze twee merkelijk minder dan Frans (deze laatste taal komt ongeveer evenveel voor als de twee andere samen),
  • dit blijkt des te meer uit de omzet van deze bedrijven: voor Engels en Duits gaat het over 4 à 7 % van hun omzet, voor Frans over een kwart (Kempen) tot 4/10 van de omzet (Vlaams-Brabant)

(Linguaplan Limburg komt tot een onderlinge verhouding van Frans 6, Duits 3 en Engels 2.)

top   

Verder wijzen deze studies uit dat

  • er een duidelijke, ofschoon niet lineaire correlatie bestaat tussen het belang van vreemde-talen en het gebruik van talentesten bij aanwerving (21,3 - 36,1 - 56,7 %)
  • terwijl anderzijds overal bijna evenveel inspanningen gedaan worden voor taalbijscholingen, meestal in de vorm van taalcursussen.  Waar deze rond 1990 echter bijna altijd op kosten van het personeelslid gebeurden, betalen in Linguaplan Limburg 4/5 van de KMO’s de taalopleiding van hun personeelsleden.

En toch geven 20 % van de bedrijven uit deze drie studies toe dat al eens contracten gemist werden of scheefliepen door gebrek aan vreemde-talencompetentie [3] - dit blijkt trouwens ook uit internationaal onderzoek (D. Marsh, Brussel, 11.04.2003) - en beweren anderzijds bijna 7/10 van de ondervraagden (Vandervelden, Alaerts) dat de aanwezigheid van vreemde-talenkennis een grote stimulans betekent voor de groei van hun bedrijf.

Hebben onze bedrijven dus anderstalige communicatiecompetentie nodig?  Ongetwijfeld!  Dus moet er een aangepaste oplossing aangeboden worden!  Pas dan manifesteert zich echter het grootste probleem, m.n. welke talenkennis heeft men nodig?

Een eerste verheldering van de vereiste talenkennis komt er door het onderling belang van algemene taal en vakjargon te vragen.  Dit gebeurde in detail in Linguaplan Limburg 1993.  Directies, lager administratief personeel en “externe” functies zoals verkoop hebben voor de drie gekende vreemde talen lichtjes meer algemene talenkennis nodig, bij lagere en hogere technische functies is schijnbaar de technische taal iets belangrijker.  Als men polst naar het belang van de verschillende communicatiemedia - let wel op: e-mail en GSM kon nog niet ondervraagd worden - , dan blijkt dat de mondelinge contacten voor de drie vreemde talen uitdrukkelijk domineren op ruime afstand gevolgd door brief en fax.  Voor hogere technische functies is zelfs alleen het mondeling taalgebruik van belang.  En als je dan nagaat welk communicatiemedium het meest vermeden wordt, dan blijkt dat de telefoon te zijn (G. Russotto, 1999).

Daarmee weet men al iets, maar eigenlijk nog niet veel.  Immers een taal is een gigantische massa: honderdduizenden woorden ( de “Trésor de la Langue Française” bevat er ongeveer 1,5 miljoen; studies wezen anderzijds uit dat een modaal moedertaalspreker 1500 à 2000 woorden actief beheerst, terwijl een ontwikkeld native speaker 3500 à 4500 woorden gebruikt en er een 10.000-tal zou verstaan), een immense grammatica (de Grevisse, de volledigste grammatica van het Frans, telt 1230 p.), daarbij nog een allesomvattende resem culturele gegevens die men niet van de taal kan loskoppelen.  Een drastische selectie dringt zich dus op.

top   

Hoe daarbij tewerk gaan?

ooreerst tracht de onderzoeker een zo duidelijk mogelijk overzicht te krijgen van de taalcommunicatieve situaties van zijn doelpubliek, zijn toekomstige taalleerders.  Daartoe zijn enquêtes en diepte-interviews een goede oplossing.  Vervolgens probeert hij een representatief corpus, een spiegelbeeld samen te stellen van voldoende teksten en gesprekken die typisch zijn voor de geïnventariseerde taalcommunicatieve situaties.  De elementen van deze geschreven en gesproken documenten worden dan - om een lang en gecompliceerd proces te resumeren - gecodeerd en vervolgens door specifieke computerprogramma’s geanalyseerd.

Op basis van frequentie - een evident selectiecriterium - en belang - denk maar aan minder frequente woordjes als “botsing” of “brand” als u een hulpdienst nodig heeft - wordt dan een lijst van leereenheden gemaakt.  Dit geldt zowel voor lexicale elementen, of woorden, als voor morfologische elementen, bijvoorbeeld uitgangen van woorden, als voor discursieve gegevens (hoe bouwt men een redenering, een begroeting, een presentatie… op), als voor culturele elementen (wat zegt men waar tegen wie in welke omstandigheden met welke ondersteunende omgevingselementen?).

Met deze bouwstenen kan dan de cursusauteur een scenario uitwerken, dat én volledigheid én progressie harmonisch en op de meest natuurlijke, d.i. authentieke manier moet combineren.  Vervolgens werkt hij alles in overzichtelijke leereenheden uit die rekening houden met de recentste inzichten van de leerpsychologie, vooral m.b.t. de soorten leerstijlen: u weet het “iedereen van ons leert het efficiëntst op zijn eigen manier”, met de recentste mogelijkheden die de leertechnologieën hem bieden en met de verschillen in beginkennis van zijn doelpubliek.  Een uitdagend, maar immens werk om de leerder toe te laten op de snelste wijze en met het beste resultaat de weg af te leggen die ligt tussen zijn startniveau en de beoogde finale communicatieve competentie.

top   

Uiteraard maken al deze inspanningen best deel uit van een globale communicatie-strategie van de onderneming die volgende flow-chart volgt:

  1. N.a.v. een eerste (toevallig) cont(r)act stelt zich de vraag: Wil ons bedrijf “vreemd gaan”, d.i. handelen met anderstaligen? 
  2. Indien hierop positief geantwoord wordt, ontstaat een verderfelijke spiraal.  Verkoper, leveraar, installateur, directeur, boekhouding, naverkoop… tot op de werkvloer (Nolico) toe zullen in de toekomst met anderstaligen geconfronteerd worden.  Dan ontwikkelt het bedrijf best een echte strategie:
  • Men begint met een communicatieve doorlichting/audit met als kernvragen:

- waar is anderstalige communicatiecompetentie nodig?  Welke?
- worden ieders talige kwaliteiten optimaal benut?

  • Hierop baseert men een actieplan dat, zo nodig, uit vier luiken bestaat:

- interne mutaties
- herschikking van taken
- bijkomende opleiding  In dit laatste geval stellen zich een nieuwe reeks vragen: opleiding:
     * waar: in-service training, externe cursus, stage i/h buitenland…,
     * tegen welke kost? Wat wordt door wie betaald? Met welke beloning na een succesrijke afloop (promotie, loonsverhoging,
        jobzekerheid…)?  Trouwens, hoe het succes van een dergelijke opleiding meten?
 

  • nieuwe aanwervingen met ook de vereiste anderstalige communicatieve vereisten.  En ook in dit geval stelling zich nieuwe vragen:
           * hoe deze controleren? (diploma’s, certificaten, taaltesten: welke?)
           * (er)kennen bedrijven, aanwervers de waarde van deze certificaten, taaltesten?

top

Zo komen we bij onze doelgroep van vandaag, m.n. ingenieurs of hoger technische kaders?  Hoe zit dat voor hen?

Ik citeer graag nog eens uit “Références Emploi”, het reeds aangehaalde supplement bij “Le Vif - Trends/Tendances” van 17-18 april ll.  Onder de titel “Les cadres travaillent-ils trop?” schrijft Dirk Ameel van Eurocadres (de organisatie die de Europese organisaties van kaders overkoepelt) daar:

“Des ingénieurs, des juristes et informaticiens assument d’importantes fonctions de cadre et de sérieuses responsabilités…  En raison des connaissances hautement spécialisées, ce nouveau groupe de cadres jouit d’une grande considération.”

En wat verder

“Avec l’arrivée du pc et de l’internet, les fonctions de secrétariat qui les soutenaient, ont généralement disparu.  Ils doivent gérer leur propre agenda, se charger de leur propre correspondance.”

En nog wat verder:

“Parmi les 167.668 cadres interrogés par TNS Media, la grande majorité (70,1 %) effectuent des voyages d’affaires.  Mais seulement 45 % de ce groupe se rendent à l’étranger.”

top


Voor de bibliografische aanduidingen: zie http://www.uhasselt.be/ctl, onder onderzoek en verder vooral de rubriek eindverhandelingen.




[1] Cijfers van de site van Export Vlaanderen en van de Belgische Dienst van Buitenlandse Handel (BDBH).

[2] De cijfers respecteren altijd de volgorde: Antwerpse Kempen, Limburg, Vlaams-Brabant.  -  Deze cijfers liggen lichtjes anders in Linguaplan Limburg1993 Fase 1 (p. 33)

[3] Zelfs 34,4 % van Linguaplan Limburg 1993.