Logo UHasselt

menu

IMOB


Actueel

IMOB

Logo UHasselt Universiteit Hasselt - Knowledge in action

< OVERZICHT

Hoe overtuigen we de Belg dat zone 30 zo slecht nog niet is?    15 mrt 2018

Hoe overtuigen we de Belg dat zone 30 zo slecht nog niet is?
15 mrt 2018

CONTACTPERSOON

Prof. dr. Tom BRIJS

32-11-269155

tom.brijs@uhasselt.be


Het stadscentrum volledig zone 30 maken. Het is iets waar veel steden naar streven, maar wat op weinig steun kan rekenen bij de Belgen. Dat blijkt uit de nationale verkeers(on)veiligheidsenquête van Vias institute. Hoe komt het dat een maatregel die de verkeersveiligheid ten goede komt op zo weinig steun kan rekenen? In de recentste editie van de Verkeersspecialist gaat prof. Tom Brijs (IMOB, UHasselt) samen met vier andere mobiliteitsexperten, op zoek naar antwoorden.

Nodig maar traag
Op plaatsen met veel gemengd verkeer, zoals stadscentra, zou 30 km/uur eigenlijk een voor de hand liggende snelheidslimiet moeten zijn. Maar voor een automobilist is 30 km/uur natuurlijk zeer traag wanneer die gewoon is op andere wegen sneller te kunnen rijden. Tom Brijs: “Mensen willen vooruit en de zone 30 zorgt ervoor dat ze het gevoel hebben tijd te verliezen, ook al is dat vaak vooral perceptie. Het effectieve verlies aan tijd zal meestal vrij beperkt zijn.”

Geloofwaardigheid
Geloofwaardige snelheidslimieten, daar gaat het voor Tom Brijs over: “De weginfrastructuur is lang niet altijd afgestemd op het snelheidsregime. Daardoor vragen automobilisten zich af waarom ze op een bepaalde plek maar 30km/uur mogen rijden. Hetzelfde geld voor het tijdstip. Op sommige momenten kan het zeer geloofwaardig zijn om de snelheid te beperken tot 30 km/uur, op andere tijdstippen zoals ’s avonds als er maar weinig fietsers of voetgangers zijn, is het dat niet.” Hij verwijst naar de zone 30 in de schoolomgeving. Aan het begin of eind van de schooldag zien automobilisten de vele kinderen en dan vinden de meesten 30 km/uur best wel oké. Op andere momenten van de dag is die snelheidslimiet niet nodig. Dynamische verkeersborden zijn dan de oplossing. Tom Brijs: “In een stadscentrum is het natuurlijk veel moeilijker om met variabele snelheden te werken. Het gaat over een grotere oppervlakte en over veel straten. Bovendien voeren lokale besturen niet alleen een zone 30 in met het oog op verkeersveiligheid, maar ook om het autoverkeer te ontmoedigen en het centrum verkeersluwer te maken. Het is dus ook een mobiliteitsmaatregel. Toch is het te overwegen om in bepaalde straten en op bepaalde tijdstippen 50 km/uur toe te laten, met de inzet van dynamische signalisatie.”

Mentaliteit
Infrastructuuraanpassingen en het terugdringen van de auto in het stadscentrum zijn belangrijke maatregelen, maar ook aan de mentaliteit van de automobilist is er nog werk. Het vermogen om zich te verplaatsen in de andere weggebruikers laat nogal eens te wensen over. Dat is een zaak van educatie en sensibilisering, van uitleggen en blijven uitleggen waarom bijvoorbeeld een zone 30 op een bepaalde plek nodig is.

Tot slot is ook handhaving essentieel om de gewenste snelheid af te dwingen. De Leuvense binnenring is hier een mooi voorbeeld van. Dat iedereen er zich netjes aan de limiet van 50 km/uur houdt, komt door de vele camera’s. Controle werkt dus.

____________________________________

Verkeersspecialist - editie 244

Lees het volledige artikel van Bart van Moerkerke, met ook de kijk van mobiliteitsexperten Joni Junes (VAB), An Volckaert (Opzoekingscentrum voor de Wegenbouw), Marc Broeckaert (Vias institute) en Marc Boogers (mobiliteitsschepen in Turnhout) in de Verkeersspecialist, editie maart 2018.