Logo UHasselt

menu

45 jaar UHasselt


Een bericht uit de kribbe

Logo UHasselt Universiteit Hasselt - Knowledge in action

EEN BERICHT UIT DE KRIBBE

Vijfenveertig jaar worden ‘we’ in 2018. Niet stokoud, maar ook niet meer piep. Hoe ging het eraan toe, zo in de aanloop naar dat eerste academiejaar van de UHasselt? Hoe verliep die start? En hoe kwam de universiteit eigenlijk terecht in Diepenbeek? Een bericht uit de jaren stillekes waarin – om toenmalig voorzitter Lambert Croux te citeren – “het leven begon”.

De UHasselt (tot in 2005 het LUC, of in de volksmond: ‘Diepenbeek’) is er niet zonder slag of stoot gekomen. Er is zelfs heftig voor betoogd. Op 18 oktober 1969 trokken 15.000 Limburgers door de straten van Hasselt. Met spandoeken (Universiteit van alle standen, Ook voor onze jeugd gelijke kansen, Mijnen gesloten, universiteit open) eisten ze, zoals een welbekende Limburgse krant schreef, “hun rechtmatig deel op”. Als de mensheid erin slaagt om een man op de maan te zetten, dan vast ook een universiteit in Limburg – dat was zo’n beetje het gevoel…

Een verre van onredelijke gedachte, want de sixties waren in deze provincie niet helemáál golden. Te weinig jongeren behaalden een diploma hoger onderwijs. Vaak omdat de ouders niet de middelen hadden om hun kind naar Leuven of Gent te sturen. Limburg was op verschillende vlakken op achtervolgen aangewezen. De chronische onderparticipatie vrat aan haar economisch potentieel.

Oud-gedeputeerde Marc Vandeput zat ín het Aktiecomité Universiteit Limburg, Nu – het comité achter de volksbeweging die ijverde voor een Limburgse universiteit. “Ook toen al zagen we in dat zo’n universiteit in Limburg een manier was om ons regionaal economisch weefsel te versterken. Al lag de focus destijds nog vooral op onderwijs”, zo blikte hij terug in een eerder gesprek met UHasselt Magazine (januari 2016).

JEZUÏETEN

Terugblikkend op die lange aanloop naar wat uiteindelijk het LUC werd, herinnert Lambert ‘Bertie’ Croux (de eerste voorzitter van de universiteit) zich, in een gesprek met Het Belang van Limburg (16 juni 2007), hoe ‘Brussel’ een jaartje na die bonte optocht vol jongeren en niet-zo-jongeren zwichtte. Ook al omdat Limburgse politici het spel hard speelden: de andere Vlaamse uniefs konden wat hen betreft namelijk fluiten naar hun centen als er in Limburg géén universiteit zou komen. In 1971 werd de ‘Wet op het LUC’ gepubliceerd.

Voor de volledigheid van dit verhaal: een eerste serieuze poging om een universiteit in Limburg neer te planten, werd ondernomen door de jezuïeten. Die hadden, aldus Lambert Croux, zelfs al een lap grond gekocht in Kiewit. Dat ze hun plan niet doorzetten, had alles te maken met een gebrek aan mankracht – ze moesten ook duchtig aan de slag in Antwerpen. Uiteindelijk richtte de Provincie in 1965 het Post Universitair Centrum (PUC) op, niet veel later volgde de Economische Hogeschool Limburg (EHL) (waarvan Croux ook voorzitter werd). In Het Belang van Limburg noemde Croux die zet van de Provincie “het Limburgse achterpoortje”.

HUZARENSTUKJE

Om dat LUC te realiseren, werden in de Diepenbeekse Demervallei in eerste instantie 26 hectare – praktisch onbebouwde – grond aangekocht. In 1972 ging de eerste spreekwoordelijke schop in de grond. Dat de keuze destijds op Diepenbeek viel, was overigens de uitkomst van nogal wat denkwerk: Maasmechelen lag op tafel als mogelijke locatie, Alden Biesen (Bilzen) eveneens. “En een vijftal plekken in Midden-Limburg”, aldus Bertie Croux.

Het zou een huzarenstukje worden om alles op de sporen te krijgen vóór de start van het eerste academiejaar in september ‘73. Een wedren tegen de tijd, zo zou Croux het later zelf omschrijven. Dankzij het werk van architectenbureaus Delhaise en Jaspers, François en Walgrave, openbare diensten, aannemers Houben-Nelissen en haar onderaannemers kreeg ‘campus LUC’ (waarin ook de EHL en het PUC hun thuis zouden krijgen) in een haast duizelingwekkend tempo vorm. Daarnaast moest óók nog de procedure voor de aanstelling van de beleidstop opgestart worden, het administratieve en technische personeel aangetrokken, het onderwijsconcept op papier gezet, de curricula opgebouwd, de financiële planning opgesteld…

Wie zich die wedren nog levendig voor de geest kan halen, is Danny Smets (intussen met pensioen) (foto, als pedel). Ze was de alleréérste administratief medewerker van de universiteit – 23 november 1972 was haar eerste dag. “We zaten toen nog in de Dokter Willemsstraat in Hasselt. In het begin hadden we daar twee lokalen, later palmden we de hele gang in”, zo zei ze vijf jaar geleden in Nu weet je het!. “Er was toen amper personeel: je had enkel de raad van bestuur, de rector, vicerector, voorzitter, ondervoorzitter én Emile Engelbosch. Hij kwam als ambtenaar uit Brussel naar het LUC en werd later diensthoofd Financiën.” De verhuizing naar Diepenbeek volgde in juli 1973. “Daarna zijn er veel personeelsleden aangeworven.”

HET LEVEN BEGINT

Op 3 september 1973 was de ‘eerste fase’ helemaal voltooid. En dus kon Bertie Croux als voorzitter van de Raad van Beheer met gerust gemoed de allereerste officiële woorden spreken in de geschiedenis van de universiteit. Het was de tijd waarin academiejaar nog met een ‘k’ geschreven werd, fase met een ‘z’ en krantenfoto’s nog lekker zwart-wit waren. “Vanaf nu begint hier het leven”, zo sprak voorzitter Croux plechtig.

Eigenlijk had toenmalig ‘minister van Nationale Opvoeding’ Calewaert het lint moeten doorknippen van de toegangsweg tot de Universiteitslaan. Maar hij moest zich laten verontschuldigen en, dus, nam toenmalig gouverneur Louis Roppe (naar wie op campus Hasselt een auditorium vernoemd is) die taak ter harte. Onder goedkeurend oog van onder meer monseigneur Schreurs (hulpbisschop van Hasselt), de burgemeesters van Diepenbeek en Hasselt, parlementsleden, leden van de deputatie, ondernemers... Én onder dat van Louis Verhaegen (de allereerste rector) en Alfred Grypdonck (de eerste vast secretaris van het LUC).

Drie weken later was het opnieuw feest. Op 27 september bliezen de hoge gasten verzamelen in het Cultuurcentrum van Hasselt (sommige dingen veranderen niet zo gauw) voor de plechtige opening van het eerste academiejaar van de universiteit. Rector Verhaegen had het in zijn speech over een “instelling met een open ideologisch karakter, volledig beantwoordend aan de brede volksbeweging waaruit ze is gegroeid en aan de doelstellingen van haar pionier – gouverneur Roppe – en haar stichters”. Voor de student wil het LUC “optimale vormingskansen creëren door confrontatie met de wetenschappelijke realiteit en die met de andere leden van de universitaire gemeenschap en door zijn situering tegenover de samenleving”.

BOERENSTRIJD

Dat eerste academiejaar verliep met het nodige geboor, getimmer en gesjouw, want de tweede bouwfase zou pas een jaar later volledig afgerond zijn. Achteraf bekeken, was het een symbolische aankondiging van een nogal tumultueuze inhuldiging van het hele complex, op 16 september 1974. Toenmalig minister van ‘Nederlandse Kultuur (sic.) en Vlaamse Aangelegenheden’ Rika De Backer was er speciaal voor naar Diepenbeek afgezakt. Boze boeren eveneens. Zij hadden de campus gekozen als decor van hun verzet en deze inhuldiging als ideale gelegenheid om hun ongenoegen (over ‘Europa’) te tonen.

Rijkswachters waren alom tegenwoordig en uitgedost in gevechtskledij. Er waren wegversperringen (die Rika De Backer handig wist te omzeilen door zich met helikopter te laten afzetten). Vijf boeren reden met daverende motoren over de weide tegenover de ingang van het LUC, de combiwagens van de Rijkswacht konden net verhinderen dat één boer zich een weg baande naar de ingang zelf… En alsof dat nog niet genoeg was, begonnen drie koeien – ook een cadeautje van de protesterende landbouwers – met hun koppen tegen de ramen van het gebouw te bonken. De aanwezige HBvL-journalist merkte in zijn artikel lichtjes geamuseerd op dat aanwezigen “zes jaar in de tijd werden teruggeworpen” (een referentie naar revolutiejaar 1968).

Het was onder het lawaai van tractoren en van boven de campus cirkelende politieheli’s dat de academische zitting zich voltrok. En Rika De Backer (foto) had een wijze boodschap meegebracht voor de genodigden. “Jonge instellingen moeten zich strijdbaar tonen”, zei ze. “De grotere instellingen hebben immers de neiging om kredieten voor wetenschappelijk onderzoek te monopoliseren.” In het LUC zag ze een “belangrijk geestelijk knooppunt voor Limburg, voor het Vlaams Gewest en, ja zelfs, voor een deel van het toekomstig Europa”. Toen Rika De Backer per helikopter huiswaarts vloog, waren de protesterende landbouwers weer verdwenen…

LIMBURGS ACCENT

Zodra de lintjes waren doorgeknipt, kon het échte werk beginnen. Paul Janssen – die doorheen zijn carrière opklom van doctorandus naar vicerector – is één van die pioniers die de UHasselt zag uitgroeien tot de universiteit die ze vandaag is. En we komen van ver, blijkt uit een terugblik net voor zijn afscheid als vicerector Onderzoek (UHasselt Magazine, juli 2016). “Toen ik in de zomer van 1974 kwam solliciteren, vond ik de campus niet. Ik vroeg een voorbijganger naar de weg, maar die man had nog nooit van de universiteit gehoord. ‘Het LUC, is dat een fabriek, meneer’, zo antwoordde hij me in z’n mooiste Limburgs accent.”

Al wist Paul Janssen wel héél goed waarom hij destijds uitgerekend naar het LUC trok. “Wetenschappelijk onderzoek in de statistiek fascineerde me mateloos. Herman Callaert en Noël Veraverbeke hadden de ambitie om daar écht iets innovatiefs mee te doen. Ik wilde absoluut bij hén doctoreren.”

Voor Greta Vervliet  (foto) – die als allereerste haar doctoraat verdedigde aan het LUC, op 29 november 1979 – was het LUC eveneens een weloverwogen keuze. “Aan zo’n nieuwe universiteit kon je in je onderzoek beter je eigen stempel drukken. En: je kon de instelling mee vormgeven. Ik zag daarin grote kansen.” Voor haar verdediging was het grote auditorium tot de nok gevuld – er zaten zelfs mensen op de trappen. “Erg bijzonder allemaal. Het LUC kon toen trouwens zelf nog geen doctoraten uitreiken. Ik moest m’n doctoraat verdedigen voor de Centrale Examencommissie van de Staat voor het Universitair Onderwijs.”

IMPROVISEREN

Improviseren, dat is het woord dat je veel hoort uit de mond van zij die er al bij waren vanaf het begin. “Ik had een tafel, stoel, typemachine en wat papier”, herinnert Danny Smets zich. “Ik moest ook heel veel verschillende dingen doen: kopietjes maken, brieven versturen, de eerste folders maken voor het academiejaar 1973…” Greta Vervliet: “Mijn randtaken, als assistente microbiologie, slorpten veel tijd op. Het cursusmateriaal moest nog worden ontwikkeld, de proeven in het labo uitgedacht. Er was nog geen laborant die me ondersteunde, dus ik deed alles zelf: proefopstellingen klaarzetten en opruimen, pipetten afwassen en steriliseren… Zelfs het labo heb ik helemaal ingericht: toen ik in 1974 aan het LUC arriveerde, was er namelijk niets.”

“We waren in die beginjaren een kleine, hechte organisatie waarin iedereen zich betrokken voelde en dicht bij elkaar stond. In onze – enige – koffiekamer kwam je de collega’s uit andere disciplines tegen: biologen, chemici, wiskundigen, sociologen… Interdisciplinair koffiedrinken, dus”, zegt Paul Janssen (foto). “Maar het was een tijd van improviseren, ja. We werkten in een kantoor op de tweede verdieping en voor het hele departement was er maar één telefoon – bij de secretaresse op de gelijkvloerse verdieping. Zij kwam helemaal naar boven gelopen wanneer iemand ons opbelde.”

Maar: de wil om er iets van te maken, was erg groot. “Bij alle collega’s had je een diepgeworteld engagement en passie. Het was een periode van extreem hard werken, maar ik had het voor geen geld van de wereld willen missen”, aldus Greta Vervliet. Paul Janssen: “De lat lag van in het begin ontzettend hoog. De groep statistiek, bijvoorbeeld, trok onmiddellijk de internationale kaart. We werkten nauw samen met Leiden en Amsterdam en via FWO-aanvragen wisten we toppers uit Harvard en Seattle naar het LUC te halen.”

DRIE KONINGEN

De tijd dat de modale Limburger of wereldburger het LUC/de UHasselt niet weet te lokaliseren, ligt (gelukkig) lang achter ons. Sterker nog: in de afgelopen decennia heeft een leger vooraanstaande wetenschappers uit binnen- en buitenland de universiteit ontdekt. Plus: een hele lading artiesten, een lange sliert ambassadeurs, een grote stoet politici én – niet te vergeten – drie Belgische koningen. Want zowel Boudewijn (foto, met koningin Fabiola), Albert als Filip bezochten de UHasselt. Filip deed – de toen nog jaar oude – campus Hasselt aan, vader Albert en oom Boudewijn trokken naar campus Diepenbeek.

Voor de huidige vorst werd dat trouwens een wel heel speciaal bezoekje: studentenvereniging Miezerik (de oudste van UHasselt!) sloeg hem namelijk tot erelid. En daar hoorde uiteraard een lint bij, een foto met de praeses én een lied. Het leven dat hier in 1973 begon, dendert met andere woorden ook meer dan 40 jaar later stevig voort.