Soms zit universiteitsgeschiedenis niet weggestopt in een archief, maar ligt ze open en bloot in vitrines met dierenschedels, skeletten en preparaten. De verzameling in de biologielokalen groeide uit tot les- en referentiemateriaal voor generaties studenten en draagt nog steeds de sporen van de mensen die haar gebruikten en mee vormgaven.
Een belangrijk deel van de specimina kwam naar UHasselt via Hugo Gevaerts: bioloog, non-conformist, docent vergelijkende anatomie en uitgesproken pleitbezorger van leren met het object in de hand. Zijn traject tussen Kisangani en Diepenbeek maakt meteen duidelijk waarom deze collectie meer is dan een reeks botten: ze vertelt ook een verhaal over netwerken, uitwisseling en de circulatie van kennis.
Wie de kasten opendoet, kijkt letterlijk in de anatomie van het leven. Schedels en skeletten maken verschillen zichtbaar die je in een handboek zelden zo scherp ziet: de kaak van een herbivoor tegenover die van een roofdier, de vorm van de oogkas, de lengte van ledematen, de aanhechtingsplaatsen van spieren. Dergelijke preparaten brengen evolutie, aanpassing en biodiversiteit terug tot op het niveau van botstructuur. In het onderwijs vormen ze een sterke basis voor object-based learning: studenten leren niet alleen over dieren, ze leren vooral kijken, vergelijken, benoemen, meten en redeneren.
Wat deze collectie extra tot de verbeelding doet spreken, is dat herkomst hier geen voetnoot is, maar een sleutel tot begrip: hoe is de verzameling opgebouwd? Welke soorten zijn vertegenwoordigd, en welke geografische herkomst zit in het materiaal vervat? Net die vragen maken academisch erfgoed zo interessant: het gaat niet alleen om wat je ziet, maar ook om waarom het er is en hoe het bewoog binnen wetenschappelijke netwerken.
De provenance via Hugo Gevaerts maakt die tweede laag bijzonder concreet. Gevaerts werd geboren in Stanleystad (het huidige Kisangani) en bleef zijn hele leven sterk verbonden met Congo. Na een omweg via een diploma technisch ingenieur kwam hij in 1974 als bioloog aan het toenmalige Limburgs Universitair Centrum terecht, waaraan hij tot 2002 verbonden bleef. Zijn loopbaan vertoont echter een opvallende cesuur: van 1980 tot 1990 keerde hij terug naar Congo om te doceren aan de universiteit van Kisangani (Université de Kisangani, UNIKIS). Daar was hij niet alleen docent, maar ook decaan van de Faculteit Wetenschappen.
Onderwijs en onderzoek stonden centraal in Gevaerts’ werk, maar even belangrijk vond hij een derde pijler: dienst aan de gemeenschap. Dat blijkt uit zijn blijvende inzet voor lokale initiatieven, onder meer rond agroforestry, landbouw in het regenwoud zonder de oorspronkelijke natuur te schaden. Vanuit dat engagement ontstond ook de vzw Kisangani, die lokale ontwikkelingshulp ondersteunt. Diezelfde humane en ethische houding weerspiegelt zich in de biologiecollectie: ze kwam tot stand binnen samenwerking, uitwisseling en onderwijspraktijk, zonder dat er dieren doelbewust voor werden gedood. De schedels en skeletten zijn afkomstig van aangetroffen karkassen of van resten die stropers achterlieten.
Voor UHasselt heeft deze verzameling een duidelijke plek in de institutionele geschiedenis. Ze vertelt iets over de uitbouw van wetenschappen en biologie binnen de universiteit, over didactische tradities en over de rol van comparatieve anatomie in het curriculum. Gevaerts doceerde biologie aan eerstejaarsstudenten geneeskunde, maar ook aan de biologen: in die periode kregen beide groepen dezelfde Algemene Biologie. Later gaf hij onder meer vergelijkende anatomie: vakken waarin preparaten bij uitstek fungeren als brug tussen theorie en observatie. Zijn voorkeur voor kleinschalige groepen waarin studenten zich op hun gemak voelden, paste naadloos binnen de context van het L.U.C. en bood ruimte aan een onderwijsaanpak waarin zoeken en verbanden leggen centraal stonden. Wie zo lesgeeft, gebruikt objecten niet als decorstuk, maar als motor. Net daarom werkt deze collectie nog altijd: ze dwingt tot aandachtig kijken.
Maar het potentieel reikt verder dan het klaslokaal. In onderzoek kan dit materiaal ingezet worden voor vragen rond dieet en leefwijze (af te lezen aan gebit en kaak), of om variatie binnen en tussen soorten beter te begrijpen. Ook interdisciplinair biedt de collectie aanknopingspunten: van ecologiegeschiedenis tot wetenschapscommunicatie, en tot ethische reflectie over verzamelen en bewaren. Zeker wanneer materiaal circuleerde binnen internationale contexten, zoals tussen België en Congo, loont het om de herkomstgeschiedenis expliciet te maken: welke praktijken en wetenschappelijke kaders lagen aan de basis van het verzamelen, determineren, prepareren en conserveren? En hoe passen die in de geschiedenis van academisch onderzoek en onderwijs.
De dierenschedels, -skeletten en preparaten maken duidelijk dat academisch erfgoed geen stoffige bijzaak is, maar collectief geheugen dat generaties met elkaar verbindt. De studenten die vandaag schedels vergelijken, staan in een rechte lijn met docenten en onderzoekers die dat vóór hen deden. Dat geldt in het bijzonder voor Hugo Gevaerts, wiens omzwervingen tussen Kisangani en Diepenbeek mee bepaalden wat hier bewaard werd en waarom. De collectie vertelt dus een verhaal op twee niveaus tegelijk: over dieren en hun anatomie, én over een universiteit als gemeenschap waar kennis zich verplaatst, wortelt en telkens opnieuw betekenis krijgt.