In een modern paviljoen op Campus Diepenbeek huist X-LAB, het innovatieve en interdisciplinaire laboratorium van UHasselt. Vandaag is het een plek waar wetenschap, technologie en kunst elkaar kruisen én versterken. Tegelijk bewaart prof. dr. Jean Manca van X-LAB hier een bijzondere collectie academisch erfgoed uit de opleiding Fysica, die hij niet verloren wilde laten gaan. Het gaat over apparatuur die door o.a. wijlen prof. dr. Herman Janssen, zijn voorganger als hoofd van de educatieve dienst van de vakgroep Fysica, gebruikt werd bij de opleiding van vele generaties fysici: meettoestellen, computers en rekenmachines die tonen hoe wetenschap er in de praktijk uitzag vóór alles digitaal, licht en draadloos werd.
Deze toestellen waren ooit het kloppend hart van practica, onderzoekslabo’s en collegezalen. Ze piepten, gloeiden, ratelden en tekenden lichtlijnen op schermen. Samen vormen ze een tastbare tijdlijn van hoe onderzoekers leerden meten, rekenen en begrijpen.
Elektrische signalen zie je niet. Toch vormen ze de basis van vrijwel alle moderne technologie. Oscilloscopen – vroeger vaak oscillografen genoemd – maken dit onzichtbare zichtbaar. Ze tonen hoe een elektrische spanning verandert in de tijd, als een bewegende lijn over een scherm. Voor generaties studenten was dit hét moment waarop abstracte formules plots een herkenbare vorm kregen.
De collectie van X-LAB laat de evolutie van deze toestellen zien, van volledig analoge apparaten met elektronenbuizen tot digitale meetinstrumenten die signalen kunnen opslaan en analyseren.
Vroege modellen, zoals de Philips GM 3152 en de Telequipment Serviscope Minor, werkten volledig analoog. Elektronenstralen tekenden het signaal rechtstreeks op een fosforscherm. Bij latere werkpaarden, zoals de Telequipment D61 en de Hameg HM 412, namen de prestaties verder toe: hogere frequenties, scherpere beelden en betrouwbaardere metingen. Met de Tektronix 5113 werd een nieuwe stap gezet: signalen konden tijdelijk worden opgeslagen, zodat ook snelle of eenmalige gebeurtenissen zichtbaar bleven. De Hameg HM 208, de Philips PM 3335 en de HP 54600B luidden het digitale tijdperk in.
Een multimeter is misschien het meest herkenbare meettoestel uit het elektronicalabo. Spanning, stroom en weerstand: met één instrument kunnen onderzoekers en studenten controleren of een schakeling doet wat ze verwachten.
In de collectie van X-LAB zien we een duidelijke evolutie. Analoge meters zoals de Phywe 0703400 en de Goerz Unigor 3n gebruikten een wijzer die uitslaat over een schaal. Het aflezen vroeg ervaring en gevoel. Zo was de Goerz Unigor 3N uit de jaren ’60-’70 reeds bijzonder veelzijdig: met één draaiknop kon de gebruiker kiezen uit maar liefst 52 meetbereiken.
Digitale multimeters, zoals die van HSN, Beckman, Micronta en Agilent, toonden cijfers op een scherm en boden extra functies zoals automatische bereikselectie en datalogging.
Vóór computers het helemaal overnamen, vertrouwden wetenschappers en studenten op calculators om complexe berekeningen uit te voeren. Deze toestellen bespaarden tijd, verminderden fouten en veranderden fundamenteel hoe men met cijfers werkte.
De collectie toont die evolutie in één oogopslag. De Friden SRW (ca. 1952) is een zware mechanische calculator die rekende met tandwielen en hefboompjes. Elke berekening is hoorbaar. Met de Wang 462 (ca. 1972) deden elektronische schakelingen hun intrede en werden statistische berekeningen plots veel sneller. Pocket-calculators zoals de Texas Instruments TI-51III, de TI-Programmer en de HP-35 maakten krachtige rekenfuncties draagbaar.
De HP-35 was in 1972 de eerste wetenschappelijke zakcalculator die écht in een borstzak paste. Voor het eerst konden ingenieurs en studenten complexe berekeningen uitvoeren zonder rekenliniaal of logaritmetabellen. Dat maakte het toestel revolutionair. De naam HP-35 verwijst overigens naar de 35 toetsen op het toestel, waaronder toen baanbrekende functies als sinus, cosinus en logaritmen.
De computers in de collectie van X-LAB herinneren aan een tijd waarin een ‘persoonlijke computer’ nog een belofte was.
De Apple IIc uit 1984 was de compacte en relatief draagbare versie van de Apple II-serie. Het bracht computergebruik binnen handbereik van scholen en gezinnen. Alles zat in één behuizing, klaar om aan te zetten en te gebruiken.
De Toshiba T3200 uit 1986 was speciaal omdat hij een van de eerste écht draagbare computers was, al woog hij nog steeds meer dan zeven kilo. Hij had een scherp 10 inch scherm en draaide software die normaal op een gewone PC liep. Sommige modellen hadden zelfs een interne harde schijf van 20-40 MB, wat toen zeldzaam was.
Met de Macintosh PowerBook 165c verscheen in 1993 kleur op het laptopscherm en werd draagbaar werken visueel aantrekkelijk. Hij had het typische Apple-design met het toetsenbord naar achteren en een trackball vooraan, wat toen erg vernieuwend was.
Naast meten en rekenen, toont de collectie ook hoe onderzoekers signalen opwekten, data vastlegden en resultaten deelden. Springen in het oog:
Andere objecten, zoals microscopen, projectoren, morse-sleutels en cassetterecorders, tonen eveneens aan hoe kennis werd bekeken, gedeeld en vastgelegd.
De collectie van X-LAB is geen nostalgisch museum. Het is een herinnering aan hoe kennis werd opgebouwd: stap voor stap, met vallen en opstaan, met toestellen die vandaag zwaar of traag lijken, maar ooit baanbrekend waren. Door dit erfgoed te bewaren en te tonen, verbindt X-LAB verleden en toekomst. Wie kijkt naar deze objecten, kijkt niet alleen terug, maar begrijpt beter hoe wetenschap blijft evolueren.